Paul van Ostaijen

Paul van Ostaijen (Antwerpen, 22 februari 1896 – Miavoye-Anthée, 18 maart 1928) was een Vlaamse dichter en prozaschrijver en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het modernisme in de Nederlandstalige literatuur. Zijn werk bracht de invloed van het expressionisme, futurisme en dadaïsme naar de Vlaamse literatuur en vernieuwde ingrijpend de mogelijkheden van het Nederlandse gedicht.

Van Ostaijen groeide op in Antwerpen als jongste kind in een gezin met een Nederlandse vader en Belgische moeder. Al tijdens zijn schooljaren ontwikkelde hij zich tot een eigenzinnige en rebelse figuur. Hij werd van zowel het Onze-Lieve-Vrouwecollege als later het Koninklijk Atheneum gestuurd en ging in 1913 aan de slag als klerk op het Antwerpse stadhuis.

Tijdens zijn jeugd raakte van Ostaijen bevriend met verschillende kunstenaars en muzikanten, onder wie Paul Joostens, Floris en Oscar Jespers en Jef Van Hoof. In deze omgeving ontwikkelde hij zijn belangstelling voor de avant-garde. Zijn eerste gedichten verschenen in de jaren voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1916 verscheen zijn eerste dichtbundel, Music-Hall, waarin al een opvallende belangstelling voor ritme, beweging en het moderne stadsleven zichtbaar is.

De Eerste Wereldoorlog had een grote invloed op zijn leven en werk. Van Ostaijen was politiek actief binnen de Vlaamse beweging en schreef tijdens de oorlog anoniem voor de activistische Antwerpsche Courant. Na de oorlog werd hij daarvoor veroordeeld. Om vervolging te vermijden vluchtte hij eind 1918 samen met zijn vriendin Emma Clément naar Berlijn.

De Berlijnse jaren vormden een beslissende periode in zijn ontwikkeling. Hij kwam er in contact met expressionistische, dadaïstische en andere avant-gardistische kunstenaars en schrijvers. De politieke onrust en armoede in de Duitse hoofdstad versterkten tegelijk zijn persoonlijke crisis. In deze periode schreef hij onder meer De feesten van angst en pijn, waarin zijn zoektocht naar een vorm van geestelijke en artistieke bevrijding centraal staat.

Ook het proza kreeg tijdens zijn verblijf in Berlijn een belangrijke plaats. Onder invloed van onder anderen Salomo Friedländer raakte van Ostaijen geïnteresseerd in het groteske. Zijn belangstelling voor beeldende kunst, muziek en nieuwe kunstvormen werkte door in zijn literatuur. Het filmscenario De bankroet jazz, geschreven rond 1921, wordt beschouwd als een vroeg voorbeeld van een dadaïstisch filmscenario in het Nederlands.

Na zijn terugkeer naar België in 1921 probeerde van Ostaijen zijn literaire en artistieke activiteiten verder uit te bouwen. Hij werkte korte tijd in een drukkerij, publiceerde in tijdschriften en opende in 1925 in Brussel de kunstgalerie À la vierge poupine. De galerie hield echter al na ongeveer een jaar op te bestaan.

Van Ostaijens bekendste werk ontstond uit zijn voortdurende zoektocht naar een nieuwe poëtische vorm. In Bezette stad combineerde hij woorden, typografie, klank en ritme tot een gedicht dat zich niet alleen laat lezen, maar ook visueel en bijna muzikaal ervaren. Gedichten als Boem Paukeslag, Alpejagerslied en Rijke Armoede van de Trekharmonica behoren tot de bekendste voorbeelden van zijn vernieuwende poëzie.

Naast deze experimentele gedichten schreef hij ook meer verstilde verzen. Melopee, Avondgeluiden en Marc groet ’s morgens de dingen tonen een andere kant van zijn dichterschap, waarin klank, herhaling en eenvoud een belangrijke rol spelen. Juist de combinatie van het uitbundig experimentele en het ogenschijnlijk eenvoudige maakt zijn oeuvre zo veelzijdig.

In zijn laatste levensjaren ontwikkelde van Ostaijen zijn ideeën over de zogenoemde zuivere lyriek. Hij wilde het gedicht zoveel mogelijk losmaken van de individuele gevoelens en bedoelingen van de dichter. Het gedicht moest een zelfstandige werkelijkheid worden, gedragen door klank, ritme en vorm. Zijn opvattingen hadden grote invloed op de ontwikkeling van de naoorlogse Nederlandstalige poëzie.

Van Ostaijen leed de laatste jaren van zijn leven aan tuberculose. Hij verbleef in het sanatorium Le Vallon in Miavoye-Anthée, waar hij op 18 maart 1928 overleed, amper 32 jaar oud. Hij werd aanvankelijk in Miavoye-Anthée begraven en in 1952 herbegraven op het Antwerpse Schoonselhof.

Zijn literaire nalatenschap is aanzienlijk, zeker gezien de korte periode waarin hij actief was. Van Ostaijen wist de poëzie open te breken naar beeld, muziek, ritme en typografie en beïnvloedde daarmee generaties Nederlandstalige dichters. Zijn gedichten blijven bovendien opvallend toegankelijk voor lezers die niet vertrouwd zijn met de avant-garde. Achter de experimenten zit vaak een sterk gevoel voor klank, humor en alledaagse observatie.

Paul van Ostaijen geldt daardoor niet alleen als een belangrijke vernieuwer van de Vlaamse poëzie, maar als een schrijver die blijvend heeft veranderd hoe een Nederlands gedicht eruit kan zien en hoe het gelezen en ervaren kan worden.

Boeken van deze auteur

Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?

Scroll naar boven
Librar
Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.