In ‘Alles welbeschouwd’ blikt journaliste Mia Doornaert terug op haar persoonlijke en professionele parcours. Ze doet dat in een toon die tegelijk mild, bedachtzaam en zelfbewust is. Het boek situeert haar leven op het kruispunt van een veilige jeugd in de naoorlogse wederopbouw, de intellectuele prikkels van de jaren zestig en een carrière die haar in contact bracht met een breed spectrum aan mensen en ideeën. Die autobiografische lijn vormt de kapstok voor een bredere reflectie over cultuur, geopolitiek en de vorm van kennis die dreigt te verdwijnen in een tijdperk van digitale ruis. Het resultaat is een interessante, soms charmante, maar ook niet altijd overtuigende mix van memoires en beschouwende essays.
Doornaert toont zich een begenadigd verteller wanneer ze schrijft over haar jeugd en studententijd. De beschrijvingen van de ‘pre-historische wereld’ van haar kindertijd – nog niet door technologie versnipperd – zijn warm en helder. Ze maakt voelbaar hoe een veilige hechting, een stabiele maatschappelijke context en een sfeer van vooruitgang haar blik op het leven hebben gevormd. Deze passages zijn veruit de sterkste van het boek: persoonlijk, concreet en zonder pretentie. Ze geven het werk een menselijkheid die Doornaerts polemiserende columns soms missen.
Wanneer ze echter de overstap maakt van herinnering naar duiding, wordt het boek wisselvalliger. Doornaert heeft ontegensprekelijk een enorme bagage: tientallen jaren in de journalistiek, ontmoetingen in vele landen, een constante leeshonger. Die eruditie draagt het boek, maar ze is soms ook een hindernis. De sprong van persoonlijke anekdote naar historische analyse gebeurt geregeld zo snel dat de lezer nauwelijks de kans krijgt om mee te schuiven. De brede, soms uitgesproken generaliserende stellingen over de ‘fundamentele cultuurverschillen op deze aardbol’ vragen meer nuance dan de auteur hier biedt.
Het meest prikkelend is haar idee dat de val van het communisme niet het verwachte ‘einde van de geschiedenis’ betekende, maar eerder een nieuw tijdperk van onzekerheid in zou luiden. Doornaert laat zien dat westerse samenlevingen vaak blind zijn voor de culturele en religieuze krachten die elders in de wereld vanzelfsprekender aanwezig zijn. Ze verzet zich tegen het soort technocratisch denken dat culturele identiteit wegwuift als bijkomstig of irrationeel. In die zin sluit het boek aan bij een breder discussieklimaat in Europa, waarin vragen over identiteit, migratie en geopolitiek centraal staan. Haar alertheid voor die onderstromen is waardevol en vaak terecht.
Toch schuift Doornaert soms te vlot bepaald cultuurpessimisme naar voren. De ‘digitale tsunami’ die volgens haar veel weetjes maar weinig kennis voortbrengt, is een herkenbare kritiek, maar de analyse blijft algemeen en beroept zich vooral op intuïtie. Hier zou de lezer gebaat zijn bij concretere voorbeelden of onderzoek, zeker omdat ze haar boek zelf positioneert als een tegengewicht tegen oppervlakkige informatie. Het gevaar bestaat dat de beschrijving van digitale oppervlakkigheid zelf wat al te oppervlakkig blijft.
Een ander punt waar de tekst wat onevenwichtig wordt, is de aandacht voor politieke figuren zoals Donald Trump. Hoewel Doornaerts afkeer voor Trumps stijl en wereldbeeld begrijpelijk is, krijgt hij disproportioneel veel ruimte als ‘extreme exponent’ van westerse blindheid. Het argument is duidelijk: Trump staat volgens haar symbool voor een democratie die niet langer hecht aan kennis, decorum of nuance. Maar die kritiek herhaalt zich in het boek vaker dan nodig, en werkt soms als een afleiding van de bredere reflecties die ze eigenlijk wil maken.
Het boek is het sterkst wanneer Doornaert verbinding zoekt: tussen haar persoonlijke levenslijn en de grotere ontwikkelingen, tussen herinnering en analyse. Maar op momenten klinkt het eerder als een reeks herwerkte columns dan als een doorlopend autobiografisch essay. De toon kan bruusk veranderen van warm naar waarschuwend, van persoonlijk naar polemisch. Dat maakt het boek levendig, maar ook wat grillig.
Wat blijft hangen na het lezen, is het beeld van een auteur die zich bewust is van haar bevoorrechte positie, maar die tegelijk probeert te begrijpen hoe die positie haar blik op de wereld heeft gevormd. Doornaert vraagt geen bewondering; ze vraagt aandacht voor een manier van denken – traag, historisch, en op zoek naar verbanden – die volgens haar onder druk staat. Of de lezer die diagnose volledig deelt, hangt af van persoonlijke overtuigingen. Maar de uitnodiging om mee te denken is oprecht.
‘Alles welbeschouwd’ is al bij al een boeiend en eerlijk boek dat zowel inzicht biedt als discussie oproept. Het is niet altijd even coherent, en sommige stellingen vragen meer onderbouw, maar Doornaerts stem – scherp, belezen en eigenzinnig – zorgt ervoor dat je blijft lezen. Dat is op zich al een verdienste.
Vallen is als vliegen
De wonderen
Onderstroom
De bewaker
Verkeerde afslag
Gezicht van het kwaad
Reinaard
Een schitterend gebrek
Boek vol levens
Cilento
Bloedspiegel
Een beetje gek
Sommige boeken wachten
Een verwittigd man is niets waard
De vlaschaard
Portret in sepia
De promotie
Ierland
De slinger van Foucault
Umberto Eco
Het feest der onbeduidendheid
Schatplicht