Sommige schrijvers worden pas écht zichtbaar wanneer hun afzonderlijke boeken weer samenkomen. Dat is precies wat er gebeurt met Barakstad, de monumentale verzameluitgave waarin voor het eerst het volledige gepubliceerde oeuvre van J. M. H. Berckmans bijeen is gebracht. De bundel brengt een schrijversloopbaan samen die zich uitstrekt van Geschiedenis van de revolutie en Tranen voor Coltrane uit 1977 tot Je kunt geen twintig zijn op Suikerheuvel uit 2006 en de latere teksten die tijdens zijn leven werden gepubliceerd. Het resultaat is niet alleen een rijke verzameling teksten, maar een vrijwel complete toegang tot een van de meest eigenaardige en onhandelbare stemmen uit de Vlaamse literatuur.
Dat Barakstad juist nu verschijnt, is betekenisvol. J. M. H. Berckmans overleed in 2008, op 54-jarige leeftijd. Tijdens zijn leven bezat hij eerder een cultstatus dan een brede literaire erkenning. Zijn boeken verschenen bij verschillende uitgevers, sommige in kleine oplagen, en raakten vervolgens moeilijk verkrijgbaar. De belangstelling voor zijn werk bleef echter bestaan. In 2018 werd nog vastgesteld dat afzonderlijke bundels van Berckmans onder liefhebbers gewilde en moeilijk te vinden boeken waren. De nieuwe uitgave maakt daar in één klap een einde aan: wie Berckmans wil lezen, hoeft niet langer langs antiquariaten en tweedehandscatalogi te trekken.
En dat is maar goed ook, want Berckmans is een schrijver die zich moeilijk in één boek laat vangen.
Zijn wereld heet Barakstad. Het is een fictieve stad, maar iedereen die Antwerpen kent, zal in haar straten, cafés, achterbuurten en haveloze bewoners iets van de echte stad herkennen. De Grauwzone is geen romantische onderwereld. Het is een gebied van armoede, drank, verslaving, mislukkingen, lichamelijk verval, mislukte relaties en permanente onzekerheid. Maar het is ook een wereld waarin de taal voortdurend probeert te ontsnappen aan de ellende die ze beschrijft. Dat laatste is misschien wel het belangrijkste. Berckmans schrijft niet alleen over de Grauwzone; hij bouwt haar met woorden.
Wie Berckmans uitsluitend kent van alcohol, drugs, armoede en psychische ontregeling, doet hem daarom tekort. Die onderwerpen zijn aanwezig en vaak zeer nadrukkelijk, maar ze zijn niet het eigenlijke onderwerp van zijn werk. Het eigenlijke onderwerp is de mens die probeert te bestaan wanneer bijna alle zekerheden zijn verdwenen.
Daarom zijn zijn personages zo vaak beschadigd. Ze zijn werkloos, verslaafd, eenzaam, paranoïde, wanhopig verliefd, ziek of gewoon niet in staat om zich behoorlijk aan te passen aan de wereld. Maar Berckmans kijkt niet van bovenaf naar deze mensen. Hij schrijft vanuit hun chaos. Zijn vertellers zijn niet de keurige observatoren van een maatschappelijke onderlaag; ze zitten er middenin. De afstand tussen schrijver, verteller en personage wordt daardoor voortdurend kleiner.
Dat heeft alles te maken met het bijzondere karakter van Berckmans’ leven.
Jean-Marie Berckmans groeide op in Leopoldsburg en verhuisde als jongeman met zijn familie naar Antwerpen. Zijn leven werd vanaf jonge leeftijd getekend door psychische problemen en periodes van zware ontregeling. Zijn biograaf Chris Ceustermans beschrijft hoe een eerste grote psychische crisis in de jaren zeventig uitmondde in psychiatrische opnames en hoe die problematiek zich later in verschillende vormen bleef manifesteren. Tegelijkertijd was Berckmans geen passieve figuur die alleen maar door zijn omstandigheden werd meegesleept. Hij was eigenzinnig, veeleisend, soms moeilijk en kon tegenover de mensen die hem hielpen evenzeer tiranniek als afhankelijk zijn.
Dat laatste is belangrijk, omdat Berckmans achteraf gemakkelijk tot een mythische poète maudit kan worden gereduceerd. De dronken schrijver in een café, de psychiatrische patiënt, de zelfdestructieve kunstenaar, de eenzame man in een OCMW-studio: het zijn allemaal beelden die bij hem horen, maar ze mogen het literaire werk niet overschaduwen. Onderzoekers hebben er terecht op gewezen dat de figuur Berckmans en het oeuvre zo sterk met elkaar zijn verweven dat het gevaar bestaat dat zijn levensverhaal het lezen van zijn literatuur gaat sturen.
Dat gevaar is bij Barakstad misschien nog groter dan bij een afzonderlijke bundel. Wie ruim dertienhonderd pagina’s Berckmans achter elkaar leest, ziet immers niet alleen een literaire ontwikkeling, maar ook een menselijk leven dat zich door die boeken heen lijkt bloot te geven.
Toch moet je de boeken niet als dagboeken lezen.
Berckmans werkte juist voortdurend aan de vervorming van de werkelijkheid. Zijn personages lijken vaak op hemzelf, gebeurtenissen zijn herkenbaar uit zijn leven, vrienden en bekenden duiken onder nauwelijks verhulde namen op, maar alles wordt door zijn taal opnieuw gemaakt. De grens tussen autobiografie en fictie vervaagt. De werkelijkheid sluipt het verhaal binnen, maar verlaat het als iets anders. Pelckmans omschrijft die ontwikkeling terecht als een stijl waarin autobiografie en fictie steeds moeilijker van elkaar te scheiden zijn.
Daarom is Barakstad ook geen verzameling documenten over een tragisch leven. Het is literatuur.
En dan vooral literatuur die geluid maakt.
Berckmans’ proza heeft iets muzikaals dat moeilijk in een samenvatting te vangen is. Hij herhaalt woorden, zinnen en motieven. Hij laat klanken botsen. Hij maakt nieuwe woorden, vervormt bestaande woorden, gebruikt archaïsche formuleringen naast straattaal en laat spreektaal ontsporen in lyriek. In een interview zei hij zelf dat hij niet langer geïnteresseerd was in traditionele verhalen met een begin en een einde: hij wilde de taal verminken, erin hakken. Ritme was voor hem belangrijker dan logica.
Dat verklaart waarom een verhaal van Berckmans soms eerder als een songtekst, jazzimprovisatie of lange voordracht aanvoelt dan als traditioneel proza.
Zijn enige dichtbundel, Tranen voor Coltrane, uit 1977, is in dat opzicht bijna programmatisch. John Coltrane was voor Berckmans veel meer dan een muzikant die hij bewonderde. Jazz bood hem een model voor wat taal kon doen: herhalen, variëren, versnellen, ontsporen en opnieuw beginnen. Zijn proza hoeft niet altijd logisch vooruit te gaan. Het kan cirkelen, terugkeren, uitbarsten en zichzelf onderbreken.
Dat is ook waarom zijn werk zo luidruchtig kan zijn zonder oppervlakkig te worden. Onder het geschreeuw zit een nauwgezette taalbeheersing.
Wie bijvoorbeeld Het zomert in Barakstad leest, een van zijn bekendste bundels, krijgt niet simpelweg een reeks verhalen over Antwerpse randfiguren. De Grauwzone wordt daar een eigen universum met een eigen grammatica. Hetzelfde geldt voor Café De Raaf nog steeds gesloten, Rock & Roll met Frieda Vindevogel, Taxi naar de Boerhaavestraat, Bericht uit Klein Konstantinopel en Ontbijt in het vilbeluik. De titels alleen al tonen een schrijver die plezier beleeft aan het botsen van verheven en banale taal.
De caféwereld is daarbij essentieel. Café De Raaf werd in Antwerpen een soort geografisch centrum van de Berckmansmythe. Maar ook hier geldt dat de werkelijkheid en de literatuur elkaar voortdurend beïnvloeden. Het café wordt in zijn werk een podium, een schuilplaats, een ontmoetingsplaats en een fictieve ruimte waarin zijn personages elkaar voortdurend opnieuw kunnen tegenkomen. De schrijver maakte van zijn eigen omgeving geen decor maar materiaal.
Berckmans had bovendien een sterke band met muziek en performance. Hij trad op met Circus Bulderdrang, een absurdistisch muziek- en theatercollectief, en werkte later samen met Geert Breës. Die podiumervaring helpt verklaren waarom zijn proza zo goed hardop lijkt te werken. Berckmans schreef niet alleen voor het oog. Zijn zinnen moeten klinken. Ze moeten rollen, stotteren, stampen, zingen en soms bijna ontsporen.
Dat maakt hem tot een merkwaardige figuur binnen de Vlaamse literatuur. Hij hoort bij de traditie van Louis Paul Boon en Ivo Michiels, maar ook bij de internationale traditie van schrijvers als Charles Bukowski, Samuel Beckett, Céline en, indirect, de jazz. Flanders Literature noemt naast Bukowski en Beckett zelfs de Sade als invloed op zijn rauwe, sterk ritmische proza.
Toch is Berckmans geen Vlaamse Bukowski-kloon. De vergelijking met Bukowski is verleidelijk vanwege drank, seks, armoede, mislukkingen en een afkeer van keurige maatschappelijke normen, maar Berckmans heeft een veel radicalere verhouding tot de taal. Bij hem wordt het Nederlands zelf een instabiel materiaal. Hij maakt er een persoonlijke spreektaal van die tegelijk volks, archaïsch, grotesk en poëtisch kan zijn.
Daarom is Barakstad ook interessant als geschiedenis van een schrijverschap.
De vroege Berckmans van Geschiedenis van de revolutie en Tranen voor Coltrane is nog niet dezelfde schrijver als de auteur van Café De Raaf nog steeds gesloten. In de jaren negentig ontwikkelt hij zich steeds nadrukkelijker tot verhalenmaker. De bibliografie laat een opmerkelijk ritme zien: na een lange stilte vanaf zijn debuut volgen vanaf 1989 vrijwel jaarlijks nieuwe bundels. Vergeet niet wat de zevenslaper zei verschijnt in 1989, gevolgd door Café De Raaf nog steeds gesloten in 1990, Rock & Roll met Frieda Vindevogel in 1991, Het zomert in Barakstad in 1993, Taxi naar de Boerhaavestraat in 1995 en vervolgens een reeks andere bundels tot aan Je kunt geen twintig zijn op Suikerheuvel in 2006.
Het is die periode waarin Berckmans zijn eigen vorm definitief vindt.
Het korte verhaal past hem misschien nog beter dan de roman. Niet omdat hij geen langere teksten kon schrijven, maar omdat zijn taal vaak werkt als een explosie. Een Berckmans-verhaal hoeft niet ergens naartoe. Het kan een toestand zijn, een stem, een herinnering, een woede-uitbarsting, een grap die steeds verder ontspoort of een monoloog waarin de werkelijkheid langzaam oplost.
Flanders Literature noemt hem niet voor niets een meester van het korte verhaal. Zijn teksten zijn rauw en overdreven, maar juist de beperkte vorm geeft hem de mogelijkheid om die intensiteit vast te houden.
Ook zijn humor verdient meer aandacht dan ze soms krijgt.
Berckmans is geen schrijver die alleen maar ellende uitstalt. Zijn humor is vaak grof, absurd, zelfvernietigend en soms ronduit wreed, maar zonder die humor zou zijn werk veel zwaarder worden. De lach is een overlevingsmechanisme. Wanneer alles verloren lijkt, kan een absurde naam, een onmogelijke vergelijking of een groteske formulering de wereld voor enkele seconden weer hanteerbaar maken.
Daarin schuilt iets wezenlijks. Berckmans schrijft over mensen die maatschappelijk vrijwel geen macht hebben, maar hij geeft ze een taal waarin ze niet langer machteloos klinken.
Zelfs wanneer die taal uit vuilnis, drank, wanhoop en lichamelijk verval bestaat.
Dat verklaart misschien ook waarom zijn werk ondanks zijn duistere reputatie zo levenslustig kan zijn. Er zit voortdurend beweging in. Zelfs de meest uitzichtloze verteller blijft praten. Zelfs de man die niets meer verwacht, blijft woorden produceren. Schrijven wordt daardoor een vorm van verzet tegen verdwijnen.
Die gedachte krijgt extra gewicht wanneer je het laatste deel van zijn leven kent. In 2006 kwam Je kunt geen twintig zijn op Suikerheuvel op de longlist van de Gouden Uil. Daarmee kreeg Berckmans uiteindelijk een vorm van officiële erkenning, maar een grote literaire prijs heeft hij nooit gekregen. Zijn reputatie bleef vooral die van cultschrijver.
Zijn laatste jaren werden steeds moeilijker. De periodes waarin hij schreef en waarin de taal als het ware vanzelf leek te komen, werden afgewisseld met langere periodes van psychische stilstand. In 2007 en 2008 werd hij meerdere malen opgenomen in een psychiatrische instelling. In zijn schriftjes bleef hij schrijven, maar het taalgeweld werd steeds gefragmenteerder.
Op 31 augustus 2008 werd Berckmans dood aangetroffen in zijn kleine OCMW-studio in Antwerpen. Hij werd 54 jaar. Hij werd begraven op het Schoonselhof.
Dat einde dreigt zijn hele oeuvre achteraf te kleuren. Het is verleidelijk om ieder verhaal te lezen als een voorspelling van zijn eigen dood en iedere drankscène als autobiografisch bewijs. Maar daarmee zou je Berckmans opnieuw kleiner maken dan hij is. Zijn literatuur is niet interessant omdat zijn leven zo turbulent was. Zijn leven maakt het werk interessant; het werk maakt vervolgens iets van dat leven wat nergens anders bestaat.
Dat onderscheid is belangrijk.
Barakstad is daarom niet in de eerste plaats het monument voor een gevallen schrijver. Het is het monument voor een schrijver die een taal heeft gemaakt die zonder hem nauwelijks voorstelbaar is.
Dat verklaart ook de bewondering van latere schrijvers. Tom Lanoye beschreef hoe Berckmans’ teksten hem onmiddellijk deden verlangen om ze hardop te horen “ronken”, “donderen”, “zeuren” en “zingen”. Annelies Verbeke benadrukte het ritme waarmee Berckmans zijn wanhoop in beweging krijgt. Die reacties zeggen iets wezenlijks: Berckmans wordt niet alleen gelezen, hij wordt bijna lichamelijk ervaren.
En precies daar ligt misschien zijn blijvende betekenis.
Berckmans schreef over mensen aan wie weinig meer restte dan hun eigen ellende. Maar hij gaf die ellende een taal die allesbehalve arm is. Zijn personages hebben misschien geen geld, geen werk, geen huiselijke rust, geen maatschappelijke status en geen toekomst, maar in hun zinnen kan de hele wereld nog exploderen.
Retour Pretoria
Zephyr
Charley Toorop
Odyssee
Pertinenties van Polly Dewit
Open hemel
Je hebt het niet van mij, maar
Een koffer vol citroenen
Eigen aan mensen
Normaliteit
Ierland
Woesten
Waarom heeft een schrijver een corrector nodig?
Het meesterwerk
Een verwittigd man is niets waard
De luchtvegers
Doorkijken
Uitgeverij Guggenheimer
Dirk Verhofstadt
Otmars zonen
De scheiding
De honingslager