Jan Mulder gebruikt in Chez Stans zijn herinneringen aan de jaren tussen 1965 en 1972 niet alleen om terug te blikken op zijn gloriedagen als voetballer van Anderlecht, maar ook om een verdwenen Brussel op te roepen. Het resultaat is een boek dat zich ergens bevindt tussen memoires, stadsportret en tijdsdocument. Achter de anekdotes over voetbal schuilt een veel grotere geschiedenis: die van een jongeman uit het Groningse Winschoten die terechtkomt in een stad die zichzelf opnieuw aan het uitvinden is.
In 1965 is Jan Mulder twintig jaar oud. Als amateurvoetballer uit het noorden van Nederland tekent hij bij RSC Anderlecht, dat op dat moment uitgroeit tot de dominante club van het Belgische voetbal. De transfer veroorzaakt ophef. Belgische supporters zien in hem een uitzonderlijk talent en binnen korte tijd groeit Mulder uit tot een publiekslieveling. Zijn debuut is spectaculair, zijn doelpunten volgen elkaar snel op en enkele jaren later wordt hij zelfs topschutter van de Belgische eerste klasse. Anderlecht wint titels, speelt Europees voetbal en ontwikkelt zich tot een club met internationale uitstraling.
Maar opmerkelijk genoeg gaat Chez Stans nauwelijks over voetbal. Natuurlijk zijn er wedstrijden, kleedkamers en ploegmaats. Namen als Paul Van Himst, Jef Jurion en andere iconen van het Belgische voetbal passeren de revue. Toch ligt Mulders echte belangstelling elders. Zijn aandacht gaat uit naar de stad die hem ontvangt en verleidt.
Het Brussel dat hij beschrijft is niet het Brussel van Europese instellingen en kantoorgebouwen. Het is een stad die nog iets mondains heeft, een plaats waar kunstenaars, journalisten, zakenlui, voetballers en avonturiers elkaar ontmoeten in restaurants, cafés en galerijen. Het centrum van dat universum is Chez Stans, een restaurant in de Rue des Dominicains waar spelers, vrienden en bewonderaars elkaar treffen. Het wordt een soort tweede thuis voor Mulder en tegelijk een symbool van een tijdperk waarin succes nog gepaard ging met stijl, elegantie en een zekere nonchalance.
Daarmee raakt het boek aan iets wat verder reikt dan nostalgie. Mulder beschrijft een Europa dat op het punt staat te veranderen. De jaren zestig brengen economische groei, optimisme en sociale mobiliteit. Voor een jongen uit Winschoten lijkt Brussel bijna exotisch. De stad biedt toegang tot een wereld van luxe auto’s, mooie vrouwen, kunstgalerijen, dure restaurants en een kosmopolitische levensstijl die in het naoorlogse noorden van Nederland nauwelijks voorstelbaar was. De onweerstaanbare MG waarmee Mulder door Brussel rijdt, wordt haast even belangrijk als de doelpunten die hij maakt.
Toch is Chez Stans geen triomfantelijk succesverhaal. Integendeel. Onder de vrolijke herinneringen schuilt voortdurend het besef dat alles voorbijgaat. De jonge spits die door duizenden supporters wordt toegejuicht, kijkt terug vanuit de wetenschap dat roem vluchtig is. Het boek wordt daardoor doordrongen van melancholie. Niet de verloren wedstrijden doen pijn, maar de verdwenen tijd.
Dat verklaart waarom het boek vaak meer indruk maakt als literair werk dan als sportboek. Mulder schrijft niet als een voormalige topsporter die zijn carrière reconstrueert. Hij schrijft als een schrijver die begrijpt dat herinneringen altijd onbetrouwbaar zijn. Het verleden wordt niet gereconstrueerd, maar opgeroepen. Geuren, straatbeelden, gesprekken en toevallige ontmoetingen krijgen meer gewicht dan uitslagen of statistieken.
De stijl speelt daarin een cruciale rol. Mulder schrijft lichtvoetig, associatief en vaak geestig. Zijn zinnen lijken soms achteloos, maar achter die ogenschijnlijke eenvoud schuilt een scherp gevoel voor ritme en detail. Hij observeert met dezelfde aandacht waarmee een romanschrijver naar zijn personages kijkt. Daardoor ontstaat een boek waarin voetbal slechts één element vormt van een veel rijker geheel.
Wie Chez Stans leest als een sportmemoire, mist misschien het belangrijkste. Dit is geen boek over doelpunten. Het is een boek over een jonge man die zich laat meeslepen door een stad, een tijdperk en een leven dat groter lijkt dan hijzelf. Het is een verhaal over Brussel voordat het Brussel van vandaag werd. Over Anderlecht voordat voetbal volledig werd opgeslokt door televisie en marketing. En over Jan Mulder voordat hij schrijver, columnist en televisiepersoonlijkheid werd.
Juist daarom behoort Chez Stans tot de meest geslaagde boeken die ooit over voetbal zijn geschreven. Niet omdat het de sport centraal stelt, maar omdat het laat zien wat voetbal soms mogelijk maakt: de toegang tot een wereld die anders gesloten zou blijven. Achter de transfer van een twintigjarige Nederlander naar Anderlecht verschijnt een volledig tijdsbeeld van de Lage Landen in de jaren zestig — bruisend, ambitieus, elegant en onherroepelijk verdwenen.
Nachtouders
Hij wist het niet meer
Stoute schoenen
Dagen als vreemde symptomen
Wachten
Brussel Noir
De liefdesbrief
Dagboek 1933
Terug naar China
Bach dag na dag
De meeste mensen deugen
Duivelsklauw
Publieke werken
Vrees niet
Averechts
Belaagd
Bruiloft aan zee
Het Italiaanse meisje
Tim de Wit
De maagd Marino
Het onmogelijke verlangen van de poëzie
De lege stad