Met De bandagist richt Marente de Moor haar blik op een generatie jonge Amsterdammers die in een stad woont waarin ruimte schaars en betaalbare woningen vrijwel onbereikbaar zijn. De 29-jarige Joost werkt als bandagist: hij behandelt de benen van oudere mensen die nog wonen in ruime, vaak overvolle huizen. Zelf heeft hij nauwelijks een vaste plek. Dat eenvoudige uitgangspunt levert een roman op waarin lichamelijkheid, ouderdom, herinnering en woningnood voortdurend met elkaar verbonden raken.
Joost beweegt zich letterlijk tussen twee werelden. Aan de ene kant zijn er zijn oudere patiënten, die stevig verankerd zijn in hun huizen en in een verleden dat zich in die woningen heeft opgehoopt. Aan de andere kant staat zijn eigen generatie, die zich door Amsterdam beweegt zonder dezelfde zekerheid te kunnen opbouwen. De tegenstelling is scherp: degenen die het meeste bezit en de meeste ruimte hebben, zijn lichamelijk steeds minder mobiel, terwijl de jongeren die mobiel zijn juist nauwelijks ergens kunnen blijven.
De keuze voor het beroep van Joost is daarbij goed gevonden. Als bandagist houdt hij zich bezig met benen die niet meer vanzelf functioneren. Hij omwikkelt en ondersteunt ze, probeert pijn te verlichten en helpt zijn patiënten letterlijk overeind te blijven. Tegelijkertijd is Joost zelf iemand die geen vaste grond onder de voeten heeft. Die tegenstelling werkt gedurende de roman steeds sterker door.
De oudere patiënten zijn meer dan alleen decor voor Joosts werkzaamheden. Hun huizen vormen kleine werelden waarin herinneringen, bezittingen en familiegeschiedenissen zich hebben opgehoopt. De woningen zijn bijna lichamelijke verlengstukken van hun bewoners geworden. Voor Joost, die zelf weinig bezit en geen vaste woonplek heeft, zijn ze tegelijkertijd fascinerend en confronterend.
Daarmee gaat De bandagist niet alleen over woningnood. De Moor onderzoekt ook wat een huis eigenlijk betekent. Geborgenheid bestaat niet uitsluitend uit vier muren en een dak, maar uit herinneringen, gewoonten en mensen die ergens een leven hebben opgebouwd. Juist omdat Joost dat allemaal mist, wordt hij voortdurend geconfronteerd met wat anderen wél hebben.
Een belangrijk thema is daarnaast het geheugen. De oudere mensen die Joost behandelt, leven gedeeltelijk in het verleden. Herinneringen kunnen troost bieden, maar kunnen ook vervagen of vervormen. De jongeren rondom Joost lijken daarentegen vooral met de toekomst bezig te moeten zijn, terwijl die toekomst juist steeds onzekerder wordt. De roman brengt zo twee vormen van onzekerheid bij elkaar: het vergeten van wat geweest is en het niet weten waar je naartoe kunt.
De Moor schrijft daarbij niet als een auteur die maatschappelijke thema’s eenvoudig wil uitleggen. Ze laat de tegenstelling vooral ontstaan uit observaties en situaties. Dat geeft de roman meer ruimte voor dubbelzinnigheid. Joost is geen klassieke held en zijn omgeving wordt evenmin gereduceerd tot een verzameling maatschappelijke slachtoffers. De personages blijven eigenaardig, soms komisch en soms ongemakkelijk.
Ook de stijl draagt bij aan die sfeer. De Moor heeft een scherp oog voor het lichamelijke en het alledaagse. Een beroep dat op het eerste gezicht weinig literair lijkt, wordt zo een middel om naar de samenleving te kijken. De zieke benen van de ouderen, de krappe leefomstandigheden van jongeren en de volgestouwde woningen krijgen daardoor een betekenis die verder gaat dan de concrete situatie.
Een lichte kritiek is dat de roman soms meer nadruk legt op sfeer en observatie dan op een krachtige plotontwikkeling. Wie een sterk voortgestuwd verhaal verwacht, kan daardoor het gevoel krijgen dat er relatief weinig gebeurt. Tegelijkertijd is die traagheid onderdeel van wat de roman wil laten zien: mensen die vastzitten in hun omstandigheden, terwijl de stad om hen heen voortdurend verandert.
Rouwdouwers
Nirwana
Boudewijn
Bres
Dagboek van een cipier
Wie was ik
De bewaker
De kreeftenvrouwen
Bach dag na dag
Lázár
Rome en de Lage Landen
Agrippa
Culturele zelfhypnose?
Het boek alfa
Datumloze dagen
De heks van Gottem
Kruistocht in spijkerbroek
Liefde heeft geen hersens
Mira Aluç
Hamnet
Ik, Jan Cremer 2
Portnoy’s klacht