Dat een overtuigd kerkjurist een warm pleidooi houdt voor de katholieke Kerk hoeft op zich niet te verbazen. Toch is De kerk is fantastisch allerminst een kritiekloze lofzang. Rik Torfs schrijft niet als een apologeet die de gebreken van de Kerk wil wegmoffelen, maar als iemand die haar tegenstrijdigheden kent en juist daarin haar blijvende betekenis ziet. Het resultaat is een persoonlijk en prikkelend essay dat uitnodigt tot nadenken, ook voor lezers die weinig of niets met religie hebben.
Torfs kiest niet voor een chronologische geschiedenis of een systematische theologische verhandeling. Hij benadert zijn onderwerp vanuit acht verschillende perspectieven. Zo kijkt hij naar de kerk als gebouw, als toevluchtsoord voor gelovigen én ongelovigen, als plaats van schoonheid, als hospitaal voor zoekende mensen, als bron van humor en als drager van de hoop op verrijzenis. Die losse benadering geeft het boek een essayistisch karakter. De verschillende hoofdstukken vullen elkaar aan zonder samen een sluitende definitie van de Kerk te willen geven.
Een van de sterke punten van het boek is de eerlijkheid waarmee Torfs de schaduwzijden benoemt. Hij romantiseert de Kerk niet. Integendeel, hij schrijft openlijk over machtsmisbruik, verstarring, morele hypocrisie en de neiging om absolute waarheden te claimen. De Kerk verschijnt geregeld als een instelling die zichzelf in de weg loopt. Toch leidt die kritiek niet tot een afrekening. Torfs blijft gefascineerd door een gemeenschap die volgens hem veel meer is dan haar fouten alleen.
Zijn stijl is toegankelijk en lichtvoetig. Torfs schrijft met de vanzelfsprekendheid van een ervaren columnist: helder, soms ironisch en geregeld met een vleugje zelfrelativering. Hij vermijdt zware theologische discussies en kiest liever voor observaties, anekdotes en persoonlijke reflecties. Daardoor leest het boek vlot en blijft het ook voor niet-theologen aantrekkelijk.
Toch is deze opzet niet zonder nadelen. Wie een diepgravende analyse verwacht van de rol van de Kerk in de hedendaagse samenleving, zal soms op zijn honger blijven zitten. De acht invalshoeken leveren interessante beschouwingen op, maar blijven vaak impressionistisch. Grote maatschappelijke vragen worden aangeraakt zonder systematisch uitgewerkt te worden. De lezer krijgt veel gedachten aangereikt, maar minder een samenhangend betoog.
Ook de centrale stelling dat de Kerk “fantastisch” is, blijft bewust ambigu. Torfs bedoelt daarmee niet dat de Kerk voorbeeldig of feilloos is. Integendeel, juist haar menselijke tekortkomingen maken volgens hem deel uit van haar geschiedenis. Dat is een genuanceerde positie, maar tegelijk een die niet iedere lezer zal overtuigen. Sommigen zullen vinden dat de auteur te gemakkelijk voorbijgaat aan de ernst van bepaalde ontsporingen binnen de Kerk.
De kerk is fantastisch is uiteindelijk geen boek dat wil bekeren, maar een uitnodiging om met andere ogen naar een eeuwenoude instelling te kijken. Rik Torfs toont de Kerk als een plaats van schoonheid én verval, van hoop én teleurstelling, van humor én ernst. Hij verdedigt haar niet ondanks haar gebreken, maar juist vanuit de overtuiging dat een gemeenschap die zo vol tegenstellingen zit, nooit volledig te vatten is.
Dat maakt dit essay vooral interessant voor lezers die bereid zijn voorbij de clichés te kijken. Niet omdat Torfs alle antwoorden geeft, maar omdat hij laat zien dat de vragen rond geloof, traditie en gemeenschap nog altijd relevant zijn.
Boos meisje
Hij wist het niet meer
Queer geschiedenis van Nederland
Rode zomer
De oratoria van Alessandro Scarlatti (1660–1725)
Barakstad
Vuile lakens
Onderstroom
De tijden
Voornamelijk vrouwen
Tabac
Welke kunst verdient belastinggeld?
De luchtvegers
Contrapunt
Dit is Europa
Geronimo
Marjolein voorberg
De engel van Amsterdam
Nacht in Parijs
De wereld rond in 50 landen
Zusters zonder liefde
Gezond gewicht