De man die werk vond verscheen oorspronkelijk in 1985 en behoort tot de vroege romans van Herman Brusselmans. De hoofdpersoon is Louis Tinner, een bibliothecaris die zijn werkdagen doorbrengt in een sfeer van verveling, angst en uitzichtloosheid. Hij werkt in een bibliotheek, maar het woord ‘werk’ krijgt bij Brusselmans al snel een ironische betekenis: Tinner lijkt vooral bezig met het ondergaan van zijn werkdag.
Tinner observeert zijn omgeving met een mengeling van ergernis, onzekerheid en zelfbeklag. Hij fantaseert over vrouwen, wacht op het koffiemeisje en hoopt op interessante gesprekken met mensen die iets van literatuur begrijpen. Ondertussen gebeurt er nauwelijks iets. Juist die stilstand vormt het materiaal van de roman. De bibliotheek wordt geen plaats waar de wereld zich opent, maar een afgesloten ruimte waarin de tijd tergend langzaam verstrijkt.
Brusselmans maakt van die verveling geen ernstig psychologisch portret. Hij blaast haar juist op tot iets absurds. Tinner is niet alleen een man die zich verveelt, maar iemand die van zijn verveling bijna een levensbeschouwing maakt. Zijn gedachten schieten alle kanten uit en gewone gebeurtenissen krijgen in zijn hoofd buitenproportionele betekenis. De humor ontstaat daardoor niet alleen uit wat er gebeurt, maar vooral uit de manier waarop Tinner naar zichzelf en zijn omgeving kijkt.
De roman heeft iets van een anti-avonturenverhaal. Er is geen grote ontwikkeling, geen spectaculaire ontknoping en nauwelijks sprake van een klassieke plot. De lezer wordt vooral opgesloten in het hoofd van iemand die niets te doen heeft. Dat klinkt als een recept voor een uiterst saai boek, maar precies daar zit de paradox van deze roman.
Tegelijkertijd is de humor onmiskenbaar die van de jonge Brusselmans. Cynisme, grofheid, lichamelijkheid en zwarte humor worden niet voorzichtig gedoseerd. De roman bevat passages waarin het banale en het groteske voortdurend tegen elkaar aanschuren. Wie Brusselmans vooral kent van zijn latere, omvangrijke oeuvre, ziet hier bovendien hoe compact zijn basisformule aanvankelijk was: een misnoegde man, een uitzichtloze omgeving en een stroom van gedachten die steeds verder ontsporen.
Er zit ook een duidelijke literaire traditie achter Tinner. Een bibliothecaris die zich opsluit in zijn eigen gedachten en de alledaagse werkelijkheid als een vorm van gevangenschap ervaart, roept onvermijdelijk herinneringen op aan de Nederlandse en Vlaamse literatuur van het naoorlogse existentialisme. Een bibliotheekrecensie wijst bijvoorbeeld op verwantschap met De Avonden van Gerard Reve, vooral in de oubollige bespiegelingen over ‘de mens’ en de nadruk op leegte en verveling.
Maar Brusselmans maakt van die literaire ernst vervolgens zijn eigen karikatuur. Tinner is geen tragische held die op zoek gaat naar de zin van het bestaan. Hij is vooral iemand die zich er eindeloos over kan beklagen dat het bestaan zo weinig te bieden heeft. Dat maakt hem tegelijkertijd komisch en enigszins meelijwekkend. Achter de grappen zit een vrij somber beeld van iemand die verlangt naar contact en betekenis, maar nauwelijks in staat lijkt om die zelf te zoeken.
Wat de roman na zoveel jaren overeind houdt, is dan ook niet het verhaal zelf. Dat is daarvoor te beperkt. Het is de stem van Brusselmans. In De man die werk vond is al duidelijk aanwezig wat later een belangrijk onderdeel van zijn schrijverschap zou worden: de combinatie van zelfspot, provocatie, cynisme en een bijna obsessieve aandacht voor het alledaagse.
De gedrevene
Revolusi
Gestolen hart
Dutch Americans
Mim
Moord in het Grand Alpine Hotel
Bijna altijd prijs
Alice in Wonderland & in Spiegelland
Van onze jongens geen nieuws
Gezicht van het kwaad
WinWin
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Hofdames
Amerikaanse pastorale
Parel
Troje
Waarom vertrouwen we dikke boeken meer?
Wees onzichtbaar
Jager in de nacht
Boudewijn
De kunst van slow living
Zoeklicht op het gazon
Het mollenfeest