Frivoliteit lijkt op het eerste gezicht een onderwerp dat zich moeilijk laat verenigen met filosofie. Wie nadenkt over het goede leven, belandt al snel bij verantwoordelijkheid, waarheid en zingeving, terwijl het frivole juist verwijst naar het vluchtige, nutteloze en gedachteloze. Peter Venmans draait die verhouding om. In Frivoliteit onderzoekt hij niet waarom we lichtzinnigheid moeten wantrouwen, maar waarom een leven zonder enige vorm van lichtheid uiteindelijk even eenzijdig is als een leven dat uitsluitend uit ernst bestaat. Zijn uitgangspunt is dat vrolijkheid niet altijd een middel tot iets hogers hoeft te zijn: soms is plezier waardevol juist omdat het nergens toe hoeft te leiden.
Venmans maakt van frivoliteit geen eenvoudig pleidooi voor plezier. Hij probeert eerst te begrijpen waarom het begrip in de westerse cultuur zo’n negatieve betekenis heeft gekregen. Vooral het puritanisme en het rationalisme komen daarbij tegenover het frivole te staan. Het eerste wantrouwt het aardse genot, het tweede heeft volgens Venmans de neiging de werkelijkheid volledig onder het bereik van de rede en het nut te willen brengen. Vanuit die historische lijn komt ook de moderne nadruk op efficiëntie, productiviteit en doelmatigheid in beeld. Daardoor krijgt het ogenschijnlijk kleine onderwerp een bredere betekenis: frivoliteit wordt een manier om weerstand te bieden aan de neiging alles een functie, doel of morele ernst mee te geven.
Sterk aan het boek is dat Venmans zijn betoog niet uitsluitend theoretisch opbouwt. Hij beweegt door de ideeën- en cultuurgeschiedenis en gebruikt onder meer films, literatuur, filosofen, kunst en het spel om zichtbaar te maken wat hij met frivoliteit bedoelt. Nietzsche en Milan Kundera krijgen een belangrijke plaats, maar ook een film als Babette’s feest en Fragonards rococoschilderij De gelukkige toevalligheden van de schommel dienen als concrete voorbeelden. Die eclectische werkwijze maakt het essay toegankelijk en voorkomt dat het onderwerp verstrikt raakt in een strikt filosofisch begrippenapparaat. Tegelijk verklaart ze ook de kritiek dat Venmans soms meanderend te werk gaat en af en toe een zijpad inslaat dat niet rechtstreeks naar zijn centrale gedachte leidt. De Standaard zag juist in die omzwervingen een deel van de charme van het boek.
Interessanter wordt het wanneer Venmans de frivoliteit tegenover het hedendaagse leven plaatst. Hij wijst erop dat ook onze tijd opnieuw wordt gekenmerkt door vormen van ernst die weinig ruimte laten voor gedachteloosheid. In zijn analyse noemt hij onder meer het herleefde stoïcisme, ecologische alarmstemming en woke-denken. Dat zijn passages waarin zijn essay duidelijk polemischer wordt. De vraag is daar niet meer alleen wat frivoliteit filosofisch betekent, maar ook welke opvattingen over verantwoordelijkheid en gedrag in de huidige samenleving dominant zijn. Juist hier kan de lezer met Venmans van mening verschillen: zijn brede gebruik van het begrip ‘nieuwe ernst’ maakt interessante verbanden zichtbaar, maar dreigt soms zeer uiteenlopende maatschappelijke fenomenen onder één noemer te brengen.
Daartegenover staat een overtuigender filosofische gedachte: frivoliteit is verbonden met vrijheid omdat zij tijdelijk ontsnapt aan de verplichting om alles te verantwoorden. Venmans verbindt dat met spelen. Een spel heeft regels, maar het doel ervan hoeft buiten het spel zelf geen betekenis te hebben. Juist daarin ziet hij een vorm van vrijheid die in een sterk gerationaliseerde samenleving gemakkelijk verloren gaat. Zijn persoonlijke voorbeeld van salsa dansen, waarmee hij op zestigjarige leeftijd begon, geeft die gedachte een concrete vorm: door iets te doen zonder het meteen te analyseren of te verbeteren, ontstaat een ervaring die aan de logica van nut en prestatie ontsnapt.
De paradox van Frivoliteit is daarmee ook de interessantste eigenschap van het boek. Venmans schrijft een ernstig filosofisch essay over iets wat volgens zijn eigen redenering juist aan de ernst ontsnapt. Dat levert soms een spanning op tussen onderwerp en vorm. De historische uitweidingen en filosofische analyses zijn uitvoerig, terwijl frivoliteit juist wordt gekenmerkt door ongedwongenheid en het tijdelijk loslaten van analyse. Maar die tegenstelling maakt het boek niet mislukt, ze laat vooral zien hoe moeilijk het is om iets te beschrijven dat ophoudt frivool te zijn zodra je het volledig probeert te begrijpen.
Frivoliteit is uiteindelijk geen pleidooi om de ernst af te schaffen. Venmans zoekt eerder naar een evenwicht tussen ernst en lichtheid, tussen nadenken en spelen, tussen verantwoordelijkheid en het vermogen om iets gewoon leuk te vinden. Daarmee geeft hij een filosofische waardigheid aan ervaringen die gemakkelijk als onbenullig worden afgedaan. Het boek overtuigt het meest wanneer het die kleine, nutteloze momenten niet verheft tot een nieuwe levensleer, maar eenvoudig laat zien dat ook daarin iets wezenlijks van het menselijk bestaan schuilgaat. De brede ideeën- en cultuurgeschiedenis maakt het essay soms wat omstandig, maar juist de centrale gedachte blijft helder: wie het goede leven uitsluitend in ernst, nut en betekenis zoekt, loopt het risico een deel van het leven over het hoofd te zien.
De zeventiende
Aesopus
De Repair Club
Leve mij
Lang leve Amerika
Charley Toorop
Transit
De eeuwige jachtvelden
Yalla
De ketter en de kerkvorst
Boos meisje
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Karel V
Wat de hulp weet
Sleuteloog
De verliefde engel
Oroppa
Portnoy’s klacht
Veel mensen dromen niet van schrijven, ze dromen van auteur zijn
Voor het vergeten
Blote handen
De toekomst is terug
Ik, Jan Cremer 2