Wat als we ons geheugen niet zozeer zijn kwijtgeraakt, maar eenvoudigweg zijn verleerd het te gebruiken? Die vraag vormt het vertrekpunt van Het geheugenpaleis van Joshua Foer. De Amerikaanse journalist raakte gefascineerd door geheugenkampioenschappen en besloot niet alleen verslag te doen van de deelnemers, maar zelf te ontdekken waartoe het menselijk geheugen in staat is. Wat begint als een journalistiek experiment groeit uit tot een veel bredere zoektocht naar de betekenis van herinneren en vergeten.
Foer begint als buitenstaander. Hij bezoekt een wedstrijd waarin deelnemers in korte tijd honderden cijfers, namen, woorden of speelkaarten uit het hoofd leren. Vervolgens neemt hij zelf de training ter hand. Met behulp van geheugenexperts ontdekt hij de eeuwenoude methode van het geheugenpaleis: informatie wordt gekoppeld aan beelden en vervolgens geplaatst in een vertrouwde ruimtelijke omgeving. Een huis, straat of ander denkbeeldig landschap wordt zo een soort archiefkast van het geheugen.
De methode is fascinerend, maar Foer is niet uitsluitend geïnteresseerd in de vraag hoeveel een mens kan onthouden. Hij wil weten hoe herinneringen eigenlijk ontstaan, waarom sommige gebeurtenissen blijven hangen en andere verdwijnen en wat geheugen betekent voor onze identiteit. Daarvoor verlaat hij de wereld van de geheugensport en duikt hij in de geschiedenis van memoriseren, van de klassieke oudheid tot het moderne onderwijs en de digitale samenleving.
Juist die verbreding maakt het boek interessanter dan een handboek voor geheugentraining. Foer laat zien dat de kunst van het onthouden eeuwenlang een belangrijk onderdeel van cultuur was. In een tijd waarin boeken schaars waren, teksten mondeling werden doorgegeven en sprekers lange redevoeringen uit het hoofd moesten leren, was een getraind geheugen geen curiositeit maar een praktische vaardigheid. De technieken die hij beschrijft zijn dan ook veel ouder dan de moderne geheugensport.
Tegelijkertijd stelt Foer een ongemakkelijke vraag over onze eigen tijd. We beschikken tegenwoordig over externe geheugens die vrijwel onbeperkt lijken: boeken, computers, zoekmachines en smartphones. Waarom zouden we nog moeite doen om feiten te onthouden wanneer we ze binnen enkele seconden kunnen opzoeken?
Foer maakt van die vraag geen simpele klaagzang over de moderne technologie. Interessanter is zijn constatering dat uitbesteden van kennis ook iets verandert aan de manier waarop we denken. Wat we onthouden bepaalt immers welke verbanden we kunnen leggen. Kennis die uitsluitend buiten ons hoofd beschikbaar is, is niet hetzelfde als kennis die deel uitmaakt van ons eigen mentale netwerk.
De passages over mensen met uitzonderlijke geheugenvermogens en mensen met ernstige geheugenstoornissen geven het boek daarbij een menselijke dimensie. Foer laat zien dat een uitzonderlijk geheugen niet noodzakelijk een zegen is. Herinneren is immers niet alleen bewaren, kunnen vergeten is minstens zo belangrijk. Juist de gebreken van het geheugen maken duidelijk hoe ingewikkeld het systeem eigenlijk is.
Daarmee raakt Foer aan een paradox die het boek voortdurend interessant houdt. We bewonderen mensen die bijna alles kunnen onthouden, maar een menselijk geheugen is juist geen perfecte opslagplaats. Het selecteert, vervormt, associeert en vergeet. Onze herinneringen zijn geen exacte kopieën van het verleden. Ze vormen mee wie we zijn.
De sterkste passages ontstaan wanneer Foer die abstracte vragen aan concrete voorbeelden koppelt. Zijn uitleg over patronen maakt bijvoorbeeld duidelijk waarom experts informatie veel gemakkelijker onthouden dan beginners. Een schaker ziet niet simpelweg tientallen afzonderlijke stukken op een bord, maar herkent patronen die hij uit duizenden eerdere situaties kent. Geheugen blijkt daardoor veel minder een kwestie van opslag dan van betekenis en verband.
De persoonlijke zoektocht naar het Amerikaanse geheugenkampioenschap geeft het boek bovendien een duidelijke spanningsboog. Foer moet van journalist veranderen in deelnemer en van geïnteresseerde toeschouwer in iemand die daadwerkelijk traint. Daardoor krijgt de soms abstracte materie een concreet doel: lukt het hem om de technieken daadwerkelijk onder de knie te krijgen?
Dat deel heeft ook zijn beperkingen. Wie vooral geïnteresseerd is in de werking van het geheugen, kan de uitgebreide aandacht voor de wedstrijdwereld soms wat veel vinden. Het geheugenpaleis is uiteindelijk geen praktische cursus waarmee de lezer na 344 pagina’s gegarandeerd een uitzonderlijk geheugen bezit. Een deel van de kritiek op het boek richt zich dan ook op de verwachting dat het een handleiding zou zijn, daarvoor is Foer te veel journalist en te weinig instructeur.
Ook de opbouw is niet overal even strak. Foer springt gemakkelijk van geheugenkampioenen naar neurologie, van de geschiedenis van het lezen naar onderwijs en vervolgens naar mensen met geheugenstoornissen. Die breedte levert veel interessante informatie op, maar zorgt er soms voor dat de centrale lijn uit beeld raakt.
Toch past die omzwerving bij het onderwerp. Het boek zelf gedraagt zich bijna als het geheugen dat Foer probeert te begrijpen: associatief, springerig en voortdurend nieuwe verbindingen leggend. Het ene onderwerp roept het volgende op. Een techniek uit de oudheid leidt naar een moderne geheugenwedstrijd; een onderzoek naar vergeten brengt hem bij de geschiedenis van lezen, een geheugenstoornis roept de vraag op wat herinneringen eigenlijk betekenen.
Het meest interessante inzicht van Het geheugenpaleis is niet dat mensen veel meer kunnen onthouden dan ze denken. Het is dat herinneren een actieve vorm van betekenis geven is. Wie iets wil onthouden, moet er een beeld, verhaal, plaats of verband aan koppelen. Het geheugen werkt niet als een harde schijf, maar eerder als een netwerk waarin informatie betekenis krijgt doordat ze met andere informatie verbonden wordt.
Daarmee krijgt ook de titel een bredere betekenis. Het geheugenpaleis is niet alleen een techniek waarbij je informatie in denkbeeldige kamers opslaat. Het wordt een metafoor voor het menselijk bewustzijn zelf: een gebouw vol kamers, gangen en deuren waarvan we sommige moeiteloos terugvinden en andere voorgoed lijken kwijtgeraakt.
Het geheugenpaleis is daardoor vooral een boek over de vraag wat het betekent om mens te zijn in een tijd waarin steeds meer van ons geheugen buiten onszelf wordt opgeslagen. Foer geeft daarop geen eenvoudig antwoord. Hij maakt wel duidelijk dat vergeten misschien onvermijdelijk is, maar dat onthouden een kunst blijft.
En misschien is dat de verrassendste conclusie van zijn zoektocht: hoe meer technologie ons helpt om niets meer te hoeven onthouden, hoe interessanter het wordt om te begrijpen waarom we ooit überhaupt wilden onthouden.
Nacht in Parijs
Cum fraude
De gedrevene
Rome en Perzië
De loopjongen
De duizelingwekkende jaren
De rode koe
Jeruzalem trilogie
Boudewijn
Odyssee
Lucien Van Impe
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
De Panter praat
De onuitspreekbare zonde
Niet elke auteur wil activist zijn
Het verraad aan de Verlichting
De meeste mensen deugen
Liften naar de hemel
De tweeling
Een Bijbel zonder ark
Hier komen wij vandaan
De duizelingwekkende jaren
Reminders of him