In Het menselijk tekort keert Midas Dekkers terug naar een onderwerp dat uitstekend bij hem past: de mens als biologische soort. Zijn uitgangspunt is eenvoudig maar tegendraads. Na miljoenen jaren evolutie is de mens nog altijd verre van volmaakt. Volgens Dekkers is dat echter geen probleem dat opgelost moet worden. Juist onze gebreken, tekortkomingen en onhandigheden maken ons menselijk.
Dekkers begint bij de vraag wat volmaaktheid eigenlijk betekent. Dat blijkt al snel een veel ingewikkelder begrip dan het op het eerste gezicht lijkt. Wie bepaalt wat volmaakt is? En waarom zouden we ervan uitgaan dat de mens het eindpunt van de evolutie zou moeten zijn? Vanuit die vragen trekt Dekkers een lange intellectuele en biologische lijn door het boek.
Zijn belangrijkste doelwit is het moderne streven naar perfectie. De mens probeert zichzelf voortdurend te verbeteren: met fitness, cosmetische ingrepen, diëten en allerlei andere middelen. Maar Dekkers vraagt zich af waarom we eigenlijk zo graag van onze onvolmaaktheid af willen. Een spleetje tussen de tanden, verlegenheid, lichamelijke onhandigheid of andere kleine tekortkomingen kunnen juist iets menselijks en aantrekkelijks hebben.
Daarmee draait hij het gebruikelijke perspectief om. Waar de moderne samenleving tekortkomingen vaak beschouwt als problemen die moeten worden gecorrigeerd, ziet Dekkers ze als een wezenlijk onderdeel van het leven. Volmaaktheid zou volgens hem uiteindelijk zelfs het tegenovergestelde van leven kunnen zijn: een volledig afgerond wezen heeft niets meer te ontwikkelen, terwijl juist onvolkomenheid verandering en aanpassing mogelijk maakt.
De bioloog Dekkers is in dit boek voortdurend aanwezig. Hij gebruikt evolutionaire inzichten om zijn filosofische ideeën te onderbouwen, maar doet dat niet in de vorm van een droog wetenschappelijk betoog. Biologie, geschiedenis, religie, cultuur en dagelijkse menselijke gewoonten lopen voortdurend door elkaar heen. Zo verwijst hij onder meer naar Darwin en naar religieuze denkers wanneer hij zijn ideeën over volmaaktheid onderzoekt.
Dat levert een typische Midas Dekkers-mix op. Een ogenschijnlijk eenvoudige observatie kan uitgroeien tot een beschouwing over evolutie, waarna hij moeiteloos overschakelt naar een historisch voorbeeld of een merkwaardig detail uit het menselijk gedrag. Zijn enorme kennis is daarbij nooit ver weg.
De charme van het boek zit voor een groot deel in die manier van schrijven. Dekkers schrijft alsof hij hardop nadenkt. Hij springt geregeld van het ene onderwerp naar het andere en laat associaties een belangrijke rol spelen. Dat geeft de tekst een losse, bijna gesproken sfeer. Een recente bespreking merkte precies dat op: de gedachtestroom is organisch en onvoorspelbaar, al kan de structuur daardoor soms wat los aanvoelen.
Voor sommige lezers zal dat een pluspunt zijn, voor anderen juist een nadeel. Het menselijk tekort is geen strak opgebouwd filosofisch betoog waarin elk hoofdstuk systematisch naar één conclusie toewerkt. Het plezier zit eerder in de reis dan in een zorgvuldig uitgestippelde route. Dekkers wil de lezer vooral anders naar het alledaagse laten kijken.
Zijn humor is daarbij essentieel. Hij neemt de mens serieus genoeg om hem uitgebreid te bestuderen, maar niet zo serieus dat hij diens eigendunk ongemoeid laat. De mens beschouwt zichzelf graag als het hoogtepunt van de natuur, terwijl hij volgens Dekkers eigenlijk een nogal knullige diersoort is. Die relativering is kenmerkend voor zijn hele schrijverschap.
Toch is het boek niet uitsluitend grappig. Onder de humor ligt een vrij fundamentele gedachte: misschien moeten we ophouden onszelf voortdurend te willen verbeteren. Niet omdat ontwikkeling verkeerd is, maar omdat het ideaal van perfectie zelf een illusie kan zijn. De mens is juist interessant omdat hij niet af is.
Daarmee heeft Het menselijk tekort ook iets troostends. Wie zich schaamt voor zijn eigenaardigheden of lichamelijke imperfecties krijgt van Dekkers eigenlijk een biologisch argument om daar wat milder mee om te gaan. Evolutie heeft geen einddoel waarin uiteindelijk een volmaakt wezen verschijnt. Het leven bestaat juist uit voortdurende aanpassing, mislukking en verbetering.
De wetenschappelijke passages maken het boek bovendien meer dan een verzameling geestige observaties. Dekkers gebruikt zijn kennis als bioloog om de menselijke neiging tot zelfoverschatting voortdurend te corrigeren. De mens is niet los verkrijgbaar van de rest van de natuur. Veel van wat wij bijzonder menselijk vinden, heeft een biologische oorsprong of kent voorlopers bij andere dieren.
Dat perspectief geeft het boek zijn samenhang. Achter de vele zijpaden blijft steeds dezelfde vraag aanwezig: waarom vinden mensen zichzelf zo graag bijzonder en volmaakt? Dekkers antwoord is dat we onze eigen beperkingen juist zouden moeten koesteren.
Niet ieder onderdeel is even sterk. De associatieve manier van schrijven kan soms leiden tot herhaling of een gevoel van omwegen. Wie vooral een helder en systematisch filosofisch betoog zoekt, zal wellicht iets meer structuur wensen. Maar voor wie graag door Dekkers’ enorme kennis en nieuwsgierigheid wordt meegesleept, is dat juist onderdeel van de aantrekkingskracht. Ook lezersreacties benadrukken vooral de combinatie van humor, kennis en relativering.
Het menselijk tekort is uiteindelijk een pleidooi voor een minder krampachtige kijk op de mens. We hoeven geen ideale soort te worden. We zijn al interessant genoeg met al onze fouten, zwakheden en eigenaardigheden. Dekkers maakt van die gedachte geen zwaar filosofisch systeem, maar een geestige en erudiete rondgang door biologie en menselijke cultuur.
22 banen
Stil verzet
Zwanenzang
Hamnet
De klopjacht op de sneer
Van onze jongens geen nieuws
Alles komt goed
De cartograaf en de wereld
De voorlezer
Istanbul
Onvoltooid verleden
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Familieziek
Ontwapend
De ontdekking van de vrouw
Cruise
April in Spanje
Gewassen vlees
Waarom vertrouwen we dikke boeken meer?
Cirkel der dagen
Wrijving
Aline
Het behouden huis