Geluk is meestal iets waarover we pas achteraf spreken. Op het moment zelf zijn we er vaak te weinig mee bezig. Maarten Asscher maakt juist die vluchtige momenten tot onderwerp van Kort geluk, een essaybundel waarin hij met nieuwsgierigheid en enige ironie naar het dagelijks leven, taal, politiek, cultuur en literatuur kijkt. De bundel bestaat uit columns die hij eerder schreef voor het Financieele Dagblad.
Asscher omschrijft geluk als een ‘kortstondige ervaring van innige compleetheid’. Dat is een goede typering van zijn manier van schrijven. Het geluk waarover hij schrijft is niet het grote, permanente geluk dat in zelfhulpboeken wordt beloofd, maar een klein moment waarop iets plotseling klopt: een gedachte die zich aandient, een onverwachte observatie, een mooie formulering of het plezier van iets begrijpen.
Daarmee is Kort geluk vooral een boek over nieuwsgierigheid. Asscher neemt de werkelijkheid niet zomaar voor lief. Een ogenschijnlijk onbeduidend verschijnsel kan aanleiding worden voor een gedachtegang die vervolgens alle kanten opgaat. De lezer wordt uitgenodigd om even mee te bewegen en de werkelijkheid vanuit een andere hoek te bekijken.
Dat levert een grote verscheidenheid aan onderwerpen op. De essays gaan onder meer over levenskunst, taal, kennis, nepnieuws, Frankrijk, diversiteit, politiek en literatuur. Die onderwerpen worden niet volgens een strak systeem behandeld. De samenhang zit eerder in de manier waarop Asscher kijkt dan in het onderwerp zelf.
Een goed voorbeeld is zijn belangstelling voor taal. In een van de stukken onderzoekt hij het verschijnsel van stopwoorden en trekt hij dat door naar wat hij ‘stopdaden’ noemt: handelingen waarmee mensen de werkelijkheid bewust of onbewust proberen af te remmen of juist te versnellen. Een persconferentie kan bijvoorbeeld bedoeld zijn om een zaak in beweging te krijgen, terwijl een commissie juist tijd kan creëren. Zo wordt een klein taalverschijnsel het vertrekpunt voor een bredere observatie over menselijk gedrag.
Dat is typisch Asscher. Hij begint klein en eindigt vaak groter. Een woord, gebeurtenis of merkwaardig detail wordt gebruikt om iets te zeggen over de manier waarop mensen functioneren. Daarbij blijft hij meestal dicht bij het concrete. Hij hoeft geen ingewikkeld filosofisch systeem op te bouwen om een interessante gedachte te ontwikkelen.
Ook zijn vragen zijn vaak belangrijker dan zijn antwoorden. Wat zou er gebeuren wanneer je plotseling alles kwijtraakt en op straat moet proberen te overleven? Wanneer wordt iemand die in een verwoeste supermarkt water meeneemt een plunderaar? En waarom bestaat er eigenlijk geen Nederlandse politieke redevoering die algemeen wordt beschouwd als dé beroemdste toespraak van de twintigste eeuw?
Het zijn vragen die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben. Toch delen ze een eigenschap: ze dwingen de lezer om een vanzelfsprekende categorie opnieuw te bekijken. Is een plunderaar altijd iemand die steelt? Is een politieke toespraak pas historisch belangrijk wanneer we haar als zodanig zijn gaan beschouwen? En hoe vanzelfsprekend is onze beoordeling van andere mensen eigenlijk?
Daarmee heeft Kort geluk een licht polemische ondertoon. Asscher is niet geïnteresseerd in de veilige gedachte dat de werkelijkheid precies is zoals ze zich aan ons voordoet. Hij wil haar een kwartslag draaien, zoals de uitgever het formuleert, en kijken wat er dan zichtbaar wordt.
De columns profiteren van die korte vorm. Een essay hoeft niet alles te bewijzen en kan eindigen voordat de gedachte volledig is uitgeput. Dat past goed bij Asschers methode. Hij wil vooral een gedachte op gang brengen. Het plezier zit vervolgens niet alleen in zijn conclusie, maar in de route ernaartoe.
Tegelijkertijd betekent die vorm dat niet iedere bijdrage dezelfde diepgang heeft. Sommige onderwerpen blijven bewust licht en associatief, terwijl andere essays meer gewicht krijgen. Dat is onvermijdelijk bij een bundel columns, maar het maakt Kort geluk minder geschikt voor lezers die één doorlopende argumentatie verwachten.
Juist als verzameling losse observaties werkt het boek beter. Je kunt een essay lezen en daarna verdergaan met je dag, om vervolgens enkele uren later merken dat een gedachte uit het boek nog steeds ergens in je hoofd rondloopt. Dat is misschien wel de meest passende vorm van het ‘korte geluk’ waar Asscher over schrijft.
Zijn stijl helpt daarbij. Hij schrijft verzorgd en intelligent, maar zonder de afstandelijkheid van een academisch essay. Er zit een zekere lichtheid in zijn proza, ook wanneer hij over politieke of maatschappelijke kwesties schrijft. Hij lijkt vooral plezier te beleven aan het nadenken zelf en probeert dat plezier op de lezer over te dragen.
Dat maakt Kort geluk ook een mooi voorbeeld van het essay als literair genre. Er hoeft geen groot verhaal verteld te worden. De schrijver hoeft alleen maar goed te kijken, een interessante vraag te stellen en bereid te zijn die vraag verder te volgen dan de eerste voor de hand liggende antwoorden.
Ik denk dat het zal regenen als ik doodga
De zaak Alaska Sanders
Het geheugenpaleis
Stil verzet
Yalla
Dagboek van een cipier
De klopjacht op de sneer
Grondstoffen
Zoeklicht op het gazon
Het was mijn verdomde plicht
Hamnet
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Authenticiteit heeft grenzen
De draagmoeder
De woede van Abraham
De man die werk vond
Yoshuku
Pastorale
Hersenschimmen
Wij, Europeanen
Hier komt de zon
Op het scherpst van de snede
Waagstukken