Er is een merkwaardige paradox rond Georges Simenon: hij wordt tegelijk gelezen en onderschat. Gelezen, omdat zijn boeken blijven circuleren, goedkoop, heruitgegeven, ogenschijnlijk toegankelijk. Onderschat, omdat die toegankelijkheid te vaak wordt verward met eenvoud.
Neem Le chat. Een dun boekje, bijna zonder plot. Twee oudere mensen, Emile en Marguerite, leven samen in een huis dat langzaam verdwijnt onder de druk van stadsvernieuwing. Ze spreken niet meer met elkaar. Ze communiceren via briefjes. De enige tederheid die nog bestaat, is die van de man voor zijn kat. Wanneer die kat verdwijnt, wordt de stilte geen afwezigheid meer, maar een wapen.
Er gebeurt weinig. En toch gebeurt alles.
Simenon schrijft alsof hij niets wil toevoegen aan de werkelijkheid. Geen stilistische uitbarstingen, geen metaforen die zichzelf belangrijk maken. De zinnen zijn kort, functioneel, bijna onzichtbaar. Wat overblijft, is gedrag. Blikken, gebaren, kleine verschuivingen in houding. Het zijn geen personages die zich uitspreken, maar die zich verraden.
Die soberheid is geen stijlkeuze, maar een methode. Simenon lijkt systematisch alles te verwijderen wat interpretatie zou kunnen sturen. Hij dwingt de lezer niet om iets te denken, maar plaatst hem in een ruimte waar niets nog verzacht wordt. Wat je ziet, is wat er is. En wat er is, is zelden comfortabel.
In Le chat wordt dat bijzonder scherp. Het huwelijk is hier geen drama, maar een toestand. Geen conflict dat escaleert, maar een verstarring die al te lang heeft geduurd. De haat tussen beide personages is niet explosief, maar traag, bijna administratief. Ze leven naast elkaar zoals objecten naast elkaar bestaan. De afwezigheid van communicatie wordt een vorm van communicatie.
Wat Simenon hier doet, is iets wat zelden zo consequent gebeurt: hij toont hoe banaliteit kan verharden tot geweld. Niet spectaculair geweld, maar een soort morele erosie. Niemand is hier schuldig op een manier die zich laat benoemen. En precies daarom is het zo verstikkend.
Het is verleidelijk om dit minimalisme te lezen als eenvoud. Alsof Simenon gewoon snel schrijft, zonder veel omwegen. De biografie lijkt dat te bevestigen: honderden boeken, vaak geschreven in enkele weken. Productie als ritme, niet als uitzondering.
Maar misschien zit daar de kern van het misverstand. Die snelheid is geen oppervlakkigheid, maar een vorm van precisie. Alsof hij schrijft tot het moment waarop niets nog toegevoegd kan worden zonder het geheel te verzwakken. Zijn romans voelen niet kort omdat er te weinig in staat, maar omdat er niets te veel in staat.
Dat maakt hem ook moeilijker dan hij lijkt. Er is geen retoriek om je aan vast te houden, geen expliciete psychologie die uitlegt wat je moet begrijpen. Je moet zelf kijken. En wat je ziet, is vaak oncomfortabel herkenbaar.
Simenon schrijft niet over uitzonderlijke mensen. Hij schrijft over mensen die net niet uitzonderlijk genoeg zijn om aan hun situatie te ontsnappen. Mensen die blijven. Die verdragen. Die niet breken, maar langzaam verschuiven tot ze iemand anders zijn geworden zonder dat er een duidelijk moment van verandering is geweest.
In die zin is Le chat exemplarisch. Het boek toont geen ontwikkeling, maar een toestand die zichtbaar wordt. Alsof Simenon een kamer opent en het licht aandoet. Niet om iets te onthullen dat verborgen was, maar om te tonen wat er al die tijd al stond.
Misschien is dat ook waarom zijn werk blijft. Niet omdat het groot wil zijn, maar omdat het niets wil verbergen.
En precies daarin zit zijn radicaliteit.
De man die quizvraag wilde worden
Vaderland
Ik denk dat het zal regenen als ik doodga
Fake profiel
De bewaker
De mensheid zal nog van mij horen
De erfenis
Rode zomer
Wildevrouw
De acht bergen
Vluchtvrouw
De helaasheid der dingen
Dagboek 1933
Een boek publiceren is geen arbeidscontract
Joe Speedboot
Swipe-match-delete
Brieven uit Genua
Sprakeloos
Thomas Rosenboom
De verlossing
Ik ben er niet
Halleluja