In augustus 1956 voltrok zich in Marcinelle een van de grootste mijnrampen uit de Belgische geschiedenis. Op 8 augustus brak brand uit in de mijn van Le Bois du Cazier. 262 mijnwerkers kwamen om het leven, onder wie 136 Italianen. De jonge journalist Gaston Durnez werd door De Standaard naar Marcinelle gestuurd. Zijn dertien reportages verschenen in de maanden augustus, september en oktober van 1956 en werden later gebundeld in Mannen met zwarte gezichten.
Durnez doet meer dan verslag uitbrengen van de ramp zelf. Hij gaat de mijn in, spreekt met mijnwerkers en nabestaanden en probeert te achterhalen hoe het ongeluk heeft kunnen gebeuren. Daarbij richt hij zijn aandacht ook op de slechte arbeidsomstandigheden in de Belgische mijnindustrie. Zijn reportage is tegelijk een aanklacht en een eerbetoon aan de mijnwerkers, die onder bijzonder zware omstandigheden hun werk deden.
Juist het journalistieke karakter maakt het boek bijzonder. Durnez schrijft niet vanuit een grote afstand, maar probeert zo dicht mogelijk bij de mensen te komen die de ramp hebben meegemaakt. De getuigenissen van mijnwerkers en familieleden geven de ramp een persoonlijk gezicht. Achter het enorme aantal van 262 slachtoffers schuilen 262 individuele levens, families en toekomstverwachtingen.
Een van de sterkste aspecten is de aandacht voor de verantwoordelijkheid achter de ramp. Durnez stelt zich niet tevreden met de vaststelling dat er een ongeluk heeft plaatsgevonden. Hij vraagt zich af hoe de arbeidsomstandigheden waren en welke structurele problemen ervoor zorgden dat mijnwerkers hun leven iedere dag opnieuw in gevaar brachten. Daarmee krijgt het boek een duidelijke sociale dimensie.
De mijnwerkers zelf worden met grote betrokkenheid beschreven. Durnez toont hun harde bestaan, maar ook de kameraadschap die ondergronds van levensbelang was. Zijn bewondering voor deze mannen is duidelijk, zonder dat zijn reportage daardoor kritiekloos wordt. Zijn verontwaardiging richt zich vooral op de omstandigheden waarin zij moesten werken.
De ramp had bovendien een belangrijke betekenis voor de Italiaanse migratie naar België. Van de 262 slachtoffers waren er 136 Italianen. De tragedie maakte zichtbaar hoe sterk de Belgische mijnindustrie afhankelijk was geworden van buitenlandse arbeidskrachten en welke prijs deze arbeiders soms betaalden. De heruitgave van het boek besteedt daarom terecht aandacht aan de bredere sociale geschiedenis van de mijnstreek en de migratie in de jaren vijftig en zestig.
Durnez was met zijn reportage uitzonderlijk vroeg ter plaatse en schreef vanuit een journalistieke praktijk die inmiddels grotendeels verdwenen is. Er waren nog geen sociale media en televisie stond nog in haar kinderschoenen. De krant was een belangrijk middel om een dergelijke ramp tot in de huiskamers te brengen. Zijn reportage maakte het lot van de mijnwerkers voor een breed publiek zichtbaar.
De reeks leverde Durnez in 1958 de eerste Vlaamse Persprijs op. Decennia later werd het oorspronkelijke materiaal opnieuw verzameld. De heruitgave bevat naast de reportage ook foto’s, annotaties, een voorwoord en een interview met Durnez over zijn werk.
De rode koe
Het meisjeseiland
Vallen is als vliegen
Bach dag na dag
Van God mag je stelen
Barakstad
Je hebt het niet van mij, maar
De acht bergen
Een vrouw in Berlijn
Gastvrijheid
Godendrank
Uitverkoren
Een verwittigd man is niets waard
De ondraaglijke lichtheid van het bestaan
Een bestelknop is geen boekhandel
De arkvaarders
Afscheid van Berlijn
Het gebeurt, het gebeurt elke dag
Mira Feticu
Ave verum corpus
Van God mag je stelen
Terug naar China