Herman Gorters Mei. Een gedicht behoort tot de onbetwiste hoogtepunten van de Nederlandse poëzie. De openingsregel – “Een nieuwe lente en een nieuw geluid” – is wellicht de bekendste versregel uit de Nederlandstalige literatuur, maar de betekenis van het gedicht reikt veel verder dan die ene beroemde zin. Gorter schreef het werk tussen 1886 en 1888, het verscheen in 1889 en maakte hem onmiddellijk tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Tachtigers.
Het gedicht bestaat uit drie zangen en vertelt het leven van Mei, een meisje dat tegelijk de verpersoonlijking is van de maand en van het jonge, ontluikende leven. In het eerste deel komt zij vanuit zee aan op de Hollandse kust en trekt ze door een landschap dat onder haar aanwezigheid lijkt open te bloeien. De natuur wordt niet louter beschreven, maar krijgt een haast mythische intensiteit: bloemen, water, wind, licht en geluid worden voortdurend in beweging gezet door Gorters beeldrijke taal. In het tweede deel stijgt Mei op naar de godenwereld, waar haar liefde voor de blinde god Balder onbeantwoord blijft. Het derde deel brengt haar terug naar de aarde, naar de stad en uiteindelijk naar haar sterfelijkheid. De levensloop van Mei wordt zo een beweging van geboorte en vervoering naar verlies en dood.
Gorter schrijft niet in de eerste plaats om een verhaal te vertellen, maar om de zintuiglijke ervaring zelf hoorbaar en zichtbaar te maken. Kleuren, geuren, klanken en bewegingen vloeien in elkaar over. Zijn lange vergelijkingen, vaak ontleend aan de klassieke epische traditie, geven het gedicht een monumentale adem, terwijl de natuur tegelijk opvallend concreet en aards blijft. Het resultaat is een merkwaardige combinatie van sprookje, natuurlyriek, liefdesgedicht en epos. De vele allegorische en symbolische mogelijkheden maken het werk niet volledig verklaarbaar: Mei kan gelezen worden als natuur, jeugd, schoonheid, liefde of het leven zelf, zonder dat één interpretatie het gedicht uitput.
Toch is Mei geen probleemloos meesterwerk. Vooral het tweede deel, met zijn godenwereld en filosofische dimensie, kan zwaar en minder onmiddellijk overtuigend overkomen dan de schitterende natuurbeschrijvingen uit het eerste en derde deel. De overvloed aan beelden vraagt bovendien een bereidheid om traag te lezen en niet voortdurend naar een eenduidige betekenis te zoeken. Wie die leeswijze aanvaardt, ontdekt echter een gedicht waarin de uitbundige levensvreugde voortdurend wordt doorkruist door het besef dat alles wat bloeit ook voorbijgaat. Juist daarin ligt de blijvende kracht van Mei: het is een monument voor de schoonheid van het leven én voor de onvermijdelijke vergankelijkheid ervan.
Charley Toorop
Feesten als wilde beesten
Honger
Most Wanted
Ruw
Dood in Berlijn
De gedrevene
Zwanenzang
Hád ik maar een mening
Ik zie wat ik geloof
Remco Evenepoel
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Esther uit de twintigste eeuw
Waarom voelen veel boekhandels tegenwoordig als lifestylewinkels?
Rome en de Lage Landen
Nachtstad
Breendonk 1940-1945
De blinde huurmoordenaar
Johnnie Walker
De eikelraper
Exit
Yakuza
De zevende zus