De mens leeft niet alleen van wat hij begrijpt en controleert. Dat is de gedachte waarmee Herman De Dijn in Rituelen ingaat tegen een modern wereldbeeld waarin wetenschap, rationaliteit en individuele keuze gemakkelijk als de belangrijkste bronnen van betekenis worden beschouwd. Zijn uitgangspunt is dat de mens van nature een ritueel wezen is: via vaste handelingen, symbolen en overgeleverde gebruiken probeert hij zich te verhouden tot gebeurtenissen en ervaringen die zich niet volledig laten verklaren. Geboorte, dood, liefde, rouw en verwondering vragen niet alleen om kennis, maar ook om vormen waarin mensen hun betekenis kunnen ervaren.
De Dijn werkt die gedachte uit vanuit een brede filosofische en cultuurhistorische achtergrond. Vooral Spinoza en Hume spelen een belangrijke rol, maar het boek beweegt zich ook door religie, wetenschap, mythe, symboliek en de geschiedenis van de moderniteit. Rituelen verschijnen daarbij niet als achterhaalde restanten van een primitief wereldbeeld. Integendeel: iedere cultuur kent rituele vormen. Het probleem van de moderne samenleving is volgens De Dijn eerder dat traditionele rituelen hun vanzelfsprekende betekenis hebben verloren, terwijl de behoefte aan ritueel en verbondenheid niet verdwenen is.
Daarmee krijgt ook religie een centrale plaats in het betoog. Voor De Dijn is religie niet in de eerste plaats een verzameling leerstellingen die men rationeel moet aanvaarden, maar een levensvorm waarin rituelen en symbolen mensen leren omgaan met wat hen overstijgt. Hij noemt rituelen in dat verband ‘aandachtsmachines’: ze richten de aandacht op een werkelijkheid die zich niet eenvoudig laat reduceren tot een praktisch probleem dat moet worden opgelost. Verwondering is dan geen gebrekkige vorm van kennis, maar een ervaring die juist ontstaat waar volledige beheersing onmogelijk is.
De kritiek op de moderne mens wordt vervolgens concreter. Wanneer rituelen losraken van traditie en een externe betekenisbron, dreigen ze volgens De Dijn te veranderen in iets wat het individu naar eigen inzicht samenstelt. Ook hedendaagse lifestyle- en consumptiecultuur kan daardoor rituele trekken aannemen: mensen zoeken naar symbolen, groepsgevoel en momenten van verbondenheid, maar kiezen die steeds vaker zelf. Volgens De Dijn kan zo’n zelfgemaakte vorm van ritueel niet dezelfde betekenis hebben als een ritueel dat door een levende traditie wordt gedragen.
Juist daar ligt ook de meest interessante spanning van het boek. De Dijn verdedigt traditie niet omdat alles wat oud is automatisch waardevol zou zijn, maar omdat betekenis volgens hem niet volledig door het individu kan worden uitgevonden. Een ritueel werkt juist doordat mensen zich voegen naar iets dat hen voorafgaat. Dat staat haaks op een moderne opvatting van vrijheid als onbeperkte zelfbeschikking. In Rituelen wordt vrijheid daardoor niet alleen opgevat als de mogelijkheid om zelf te kiezen, maar ook als het vermogen om zich te verbinden met betekenissen en praktijken die men niet zelf heeft bedacht.
Die redenering maakt het boek filosofisch interessant, maar ook enigszins kwetsbaar. De Dijns analyse van het moderne ritueel is sterk wanneer hij laat zien dat ook een geseculariseerde samenleving behoefte houdt aan symbolen, herhaling en gemeenschappelijke vormen. Minder overtuigend wordt het wanneer de traditionele, religieus gevoede rituele orde bijna vanzelfsprekend als betekenisvoller verschijnt dan moderne vormen van ritueel. De overgang van de vaststelling dat mensen rituelen nodig hebben naar de conclusie dat vooral traditie die behoefte op een adequate manier kan vervullen, vraagt om meer argumentatie dan het boek soms geeft.
Ook de omvang van het betoog heeft een keerzijde. De Dijn wil tegelijk nadenken over verwondering, wetenschap, religie, mythe, vrijheid, gezag, traditie en de postmoderne samenleving. Dat levert een rijk boek op, maar maakt het niet altijd gemakkelijk om de centrale lijn vast te houden. Een bespreking in Ethische Perspectieven merkt bovendien terecht op dat wie een uitgewerkte theorie van het rituele verwacht, verrast kan zijn door het feit dat een groot deel van het boek uiteindelijk over religie gaat. Dat is vanuit De Dijns uitgangspunt begrijpelijk, maar het maakt de titel enigszins ruimer dan het eigenlijke onderwerp.
Toch ligt precies in die brede benadering de betekenis van Rituelen. De Dijn probeert niet een verdwenen religieuze wereld eenvoudig te herstellen, maar onderzoekt waarom moderne mensen, ondanks hun nadruk op autonomie en rationaliteit, rituelen blijven ontwikkelen en opzoeken. Zijn antwoord is dat mensen niet alleen behoefte hebben aan verklaringen, maar ook aan vormen waarin zij kunnen stilstaan bij wat belangrijk is. Rituelen geven aan die behoefte een gemeenschappelijke en symbolische vorm.
Rituelen is daarmee een uitgesproken filosofisch boek over een onderwerp dat tegelijk heel alledaags is. De Dijn maakt zichtbaar hoeveel van het menselijk leven steunt op handelingen die we niet telkens opnieuw uitvinden of rationeel verantwoorden. Zijn verdediging van traditie en religieuze rituelen zal niet iedereen overtuigen, maar ze dwingt wel tot nadenken over een blinde vlek van het moderne denken: misschien kan niet alles wat betekenisvol is worden vervangen door individuele keuze, wetenschappelijke kennis of praktische doelmatigheid.
Mim
Eén boek per dorp
Heidelberg
Gestolen hart
De grap
De romantische orde
Oorlogsvoering in de Oudheid
De tussentijd
Ola en de dingen
Woesten
Honger
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Macht en eigendom
Alles heeft een reden
De wilde stilte
Soap
Het geknakte riet
De laatste zeppelin
Waarom ik psychiater werd
De gouden bril
Iedereen kan publiceren, niemand wordt nog geselecteerd
Het Droompad
All-inclusive