Sarah de Koning schrijft in Tekstielen geen gedichten die zich gemakkelijk laten vastpakken. De bundel bestaat uit stemmen, fragmenten, brieven, notities en observaties die in elkaar grijpen en voortdurend van richting veranderen. Een minnares verschuilt zich in een keuken, een dochter schrijft aan haar moeder, een dichter probeert een brief te formuleren en een schrijfster kijkt naar haar eigen pen. De verschillende stemmen lijken aanvankelijk los van elkaar te staan, maar gaandeweg wordt duidelijk dat ze allemaal rond dezelfde kern cirkelen: verlangen en het onvermogen om dat verlangen precies in taal te vangen.
De titel is daarvoor een treffend uitgangspunt. Tekstielen klinkt als een vervorming van textiel en verwijst naar het weven van taal. De Koning maakt inderdaad geen bundel van afzonderlijke, gesloten gedichten, maar een talig weefsel waarin stemmen en motieven elkaar kruisen. Een beeld uit een eerder fragment kan later terugkeren in een andere gedaante; een brief wordt een gesprek met een afwezige ander en een persoonlijke herinnering schuift ongemerkt over in literatuur. De samenhang ontstaat daardoor niet uit een verhaal, maar uit herhaling, klank en associatie.
Die werkwijze vraagt wel iets van de lezer. De gedichten zijn vaak geschreven in lange, uitwaaierende zinnen waarin gedachten zich niet netjes laten afbakenen. De Koning gebruikt veel archaïsch aandoende woorden, onverwachte werkwoordsvormen en beelden die de logica van een gewone mededeling doorbreken. Dat geeft de bundel een uitgesproken eigen taal, maar maakt hem ook minder toegankelijk. Niet iedere vondst opent iets; soms lijkt de taal zichzelf zo belangrijk te vinden dat de emotie eronder moeilijk bereikbaar wordt.
Wanneer dat wel lukt, is het effect sterk. Vooral het verlangen krijgt bij de Koning een lichamelijke en zintuiglijke vorm. Liefde is geen abstract gevoel, maar iets dat zich vastzet in huid, mond, geur, beweging en ruimte. Daardoor krijgen de teksten een zekere onrust. De geliefde is vaak aanwezig als iemand die tegelijk begeerd en onbereikbaar is. De brief wordt dan een poging om de afstand met woorden te overbruggen, terwijl de taal voortdurend laat zien dat die afstand niet werkelijk verdwijnt.
De verwijzingen naar andere schrijvers verdiepen dat spel. Sappho vormt een belangrijke literaire achtergrond, terwijl ook Sylvia Plath en Marina Tsvetajeva in de bundel doorklinken. De Koning gebruikt die voorgangers niet simpelweg als citaten of eerbetonen. Hun brieven, dagboeken en liefdeslyriek worden onderdeel van haar eigen zoektocht naar een taal voor verlangen. Daardoor ontstaat een gesprek over de grenzen van het schrijven: hoe schrijf je over een gevoel dat zich juist aan formulering lijkt te onttrekken?
Dat verklaart ook waarom schrijven zelf zo vaak onderwerp wordt. De dichter die een brief schrijft, de schrijfster die haar pen beklaagt en de stem die telkens opnieuw probeert iets onder woorden te brengen, zijn varianten van dezelfde figuur. De schrijver staat niet buiten het gedicht, maar bevindt zich midden in het probleem dat het gedicht probeert op te lossen. Taal is tegelijk het instrument en de hindernis.
De bundel heeft daardoor iets claustrofobisch. Veel teksten bewegen zich binnen kleine ruimtes — een keuken, een kamer, een brief, een lichaam — terwijl de emoties juist groot zijn. De buitenwereld dringt maar beperkt door. Dat versterkt de intimiteit, maar kan na verloop van tijd ook een zekere eenvormigheid veroorzaken. De voortdurende gerichtheid op verlangen, schrijven en de verhouding tussen vrouwen en mannen maakt de bundel coherent, maar beperkt soms de verrassing.
Daar staat een opmerkelijke muzikaliteit tegenover. De Koning schrijft duidelijk niet alleen voor het oog. Alliteraties, assonanties, ritme en klankverschuivingen geven haar zinnen een eigen beweging. Sommige passages krijgen daardoor iets bezwerends, alsof de betekenis pas volledig ontstaat wanneer de woorden hardop klinken. Dat is een kwaliteit die bij een bundel als deze moeilijk in een samenvatting te vangen is: de taal moet niet alleen begrepen, maar ook gehoord worden.
Juist daarin schuilt uiteindelijk de betekenis van de titel. De teksten worden geweven uit draden van herinnering, verlangen, literatuur en klank. Geen enkele draad vertelt het hele verhaal, maar samen ontstaat een patroon dat steeds duidelijker wordt. Tekstielen vraagt daarom om langzaam lezen en herlezen. Wie op zoek is naar onmiddellijk begrijpelijke gedichten zal geregeld op weerstand stuiten, maar wie bereid is zich aan de taal over te geven, ontdekt een bundel waarin vorm en onderwerp nauw met elkaar verbonden zijn.
Als debuut is Tekstielen opvallend zelfverzekerd. De Koning probeert niet eerst een toegankelijke poëtische stem te vinden, maar kiest onmiddellijk voor een eigenzinnige en soms barokke vorm. Dat levert niet overal even sterke teksten op, maar het maakt de bundel wel herkenbaar als het werk van één dichter. Tekstielen is vooral een boek over de poging om iets wat zich niet laat vastleggen toch vast te leggen: verlangen in taal. Precies op het moment dat de woorden tekort dreigen te schieten, begint bij de Koning de poëzie.
Zuiver
Rome en de Lage Landen
Een jaar in Babylon
Grondstoffen
De slinger van Foucault
Aesopus
Flaneren kun je leren
Liefde en aardbevingen
Bres
Zeg, ken jij de mosselman?
De van Seksen-Coburgs
Een kleine selectie van Librar. elk weekend in uw mailbox?
Bijna altijd prijs
Tabac
De beller
Leve mij
De liefdesbrief
De bandagist
Liefde
Wat ik nog kwijt wil
De zaak Alaska Sanders
De doodstrompet
Radetzkymars