Er zijn essaybundels die antwoorden geven, en er zijn essaybundels die vooral nieuwe leeshonger opwekken. Voornamelijk vrouwen behoort zonder twijfel tot die tweede categorie. Wie dit boek openslaat, loopt het risico de komende jaren meer boeken te kopen dan te lezen. Connie Palmen schrijft namelijk niet alleen over auteurs; ze schrijft zó over hen dat je onmiddellijk naar hun werk wilt grijpen.
De bundel verzamelt essays over schrijfsters die Palmen door de jaren heen hebben gefascineerd. Namen als Virginia Woolf, Patricia Highsmith, Joan Didion, Vivian Gornick en Olivia Laing passeren de revue. Toch is de titel enigszins misleidend. Niet alle geportretteerden zijn vrouwen en niet alle besproken figuren zijn schrijvers. Ook Marilyn Monroe krijgt een plaats in deze galerij van complexe persoonlijkheden. Wat hen verbindt, is niet hun geslacht of beroep, maar hun strijd om zichzelf vorm te geven in een wereld die voortdurend verwachtingen oplegt.
Zoals steeds bij Palmen gaat het uiteindelijk minder over de besproken auteurs dan over de fundamentele vragen die hun leven en werk oproepen. Hoe construeren mensen een identiteit? Wat gebeurt er wanneer een publieke figuur samenvalt met een zorgvuldig opgebouwde rol? Waar eindigt de werkelijkheid en waar begint de fictie?
Dat thema loopt als een rode draad door de bundel. Palmen heeft altijd een bijzondere belangstelling gehad voor de grens tussen leven en literatuur, tussen de mens en het verhaal dat hij over zichzelf vertelt. In deze essays keert die fascinatie voortdurend terug. Schrijvers blijken niet alleen makers van fictie te zijn, maar ook makers van zichzelf.
Een van de meest intrigerende teksten in de bundel is het essay Lola. Vertrekkend vanuit het beroemde nummer van The Kinks onderzoekt Palmen de vervagende grenzen tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Wat ooit als vaststaand werd beschouwd, blijkt steeds vaker een kwestie van interpretatie, ervaring en keuze. De mens wordt niet langer uitsluitend bepaald door geboorte of biologie, maar krijgt de mogelijkheid zichzelf vorm te geven. In Palmens lezing raakt die ontwikkeling rechtstreeks aan de literatuur: wie zichzelf herschept, wordt in zekere zin auteur van zijn eigen bestaan.
Het is een van de sterkste kwaliteiten van deze bundel dat Palmen maatschappelijke discussies weet te verbinden met literaire inzichten zonder in slogans of ideologische simplificaties te vervallen. Haar essays vertrekken vanuit boeken, maar monden vaak uit in bredere beschouwingen over identiteit, vrijheid, verlangen en verbeelding.
Dat betekent niet dat ze de besproken auteurs kritiekloos bewondert. Integendeel. Palmen schrijft met grote betrokkenheid, maar behoudt steeds haar onafhankelijkheid als lezer. Zo waardeert ze het werk van Olivia Laing, terwijl ze tegelijk scherp ziet welke eigenaardigheden en beperkingen haar schrijverschap kenmerken. Bewondering sluit analyse niet uit.
Bijzonder boeiend zijn de essays over auteurs die hun leven bijna even fascinerend maakten als hun werk. Patricia Highsmith verschijnt hier niet alleen als de schepper van Tom Ripley, maar ook als een buitenstaander die zich zelden conformeerde aan maatschappelijke verwachtingen. Achter haar indrukwekkende oeuvre gaan eenzaamheid, verslavingen, mislukte relaties en een diep wantrouwen tegenover de menselijke natuur schuil. Palmen toont overtuigend hoe die levenshouding haar fictie heeft gevormd.
Ook Marilyn Monroe krijgt een verrassende plaats binnen dit geheel. Voor Palmen is Monroe niet louter een filmster, maar een voorbeeld van iemand die zichzelf heeft moeten uitvinden om te kunnen bestaan. Norma Jeane Baker werd Marilyn Monroe zoals sommige schrijvers hun pseudoniem worden: een creatie die uiteindelijk groter werd dan de persoon erachter.
Wat deze bundel zo aantrekkelijk maakt, is Palmens vermogen om literaire kritiek persoonlijk te maken zonder oppervlakkig te worden. Ze schrijft niet als een academische onderzoeker die afstand bewaart tot haar onderwerp. Ze schrijft als een gepassioneerde lezer die in boeken voortdurend sporen van het menselijk bestaan zoekt. Daardoor krijgen haar essays iets essayistisch in de klassieke betekenis van het woord: denkende teksten waarin nieuwsgierigheid belangrijker is dan zekerheid.
Tegelijkertijd laat Voornamelijk vrouwen zien waarom Connie Palmen tot de beste essayisten van het Nederlandse taalgebied behoort. Haar stijl is helder zonder simplistisch te worden, intellectueel zonder hoogdravendheid. Ze bezit de zeldzame gave om complexe ideeën toegankelijk te maken zonder hun complexiteit weg te poetsen.
De grootste verdienste van deze bundel is misschien wel dat hij geen afsluiting vormt, maar een beginpunt. Na elk essay ontstaat de behoefte om het besproken werk zelf ter hand te nemen. Woolf opnieuw lezen. Didion ontdekken. Highsmith herlezen. Gornick eindelijk openen. Palmen schrijft niet alleen over literatuur; ze maakt nieuwsgierig naar literatuur.
En dat is wellicht het mooiste compliment dat men een essaybundel kan geven.
Een koffer vol citroenen
Harry Potter en de Steen der Wijzen
Flaneren kun je leren
De meeste mensen deugen
Bach dag na dag
Zonnehuis
Dagboek 1933
Wildevrouw
De man die quizvraag wilde worden
Een verhaal van twee geliefden
Odyssee
De meeste mensen deugen
Congo
Wildevrouw
Willy & Romain
Kastanje a/d Zee
Baantjer alias De Cock
De regels van het ciderhuis
De helaasheid der dingen
Grondwerk
Papieren heimwee
Onno Blom