Absolute democratie
In de schemering van een Zuid-Europese woonkamer, waar het licht gefilterd wordt door halfgesloten luiken en de geluiden van de havenstad op afstand blijven murmelen, zit Ilja Leonard Pfeijffer gebogen over zijn toetsenbord. De rook kringelt loom omhoog, alsof ook zij aarzelt om zich met de buitenwereld te bemoeien. Het tafereel ademt rust, bijna onthechting. Wie hem zo ziet, zou denken dat hij zich heeft teruggetrokken in een privéparadijs, ver weg van de koorts van het continent. Maar onder die verstilde oppervlakte woedt een intellectuele storm die zich niet laat dempen door zeezicht of zonlicht.
De essays die hij de afgelopen jaren schreef, vormen geen contemplatieve bespiegelingen, maar een sirene. Ze zijn bedoeld om te schuren, te alarmeren, te verstoren. Niet uit cynisme, maar uit urgentie. Hij schrijft omdat hij vreest dat de politieke verbeelding van Europa aan het verschrompelen is. Omdat hij ziet hoe vanzelfsprekendheden — ooit het fundament van het naoorlogse project — langzaam oplossen in retoriek die de regels van het spel zelf ter discussie stelt.
Lang gold de liberale rechtsstaat als een vanzelfsprekend decor: een systeem waarin macht werd ingeperkt door wetten, waarin instituties elkaar in evenwicht hielden, waarin verkiezingswinst geen vrijbrief was maar een mandaat binnen grenzen. Dat decor blijkt nu van karton. Steeds vaker klinkt de redenering dat de wil van de meerderheid absolute geldigheid bezit. Dat obstakels — rechters, grondwetten, verdragen — ondemocratisch zouden zijn zodra zij de uitvoerende macht begrenzen. Democratie, ooit een complex bouwwerk van rechten en waarborgen, dreigt zo gereduceerd te worden tot een rekenkundige uitkomst.
Wat hem verontrust, is niet één crisis, maar de gelijktijdigheid ervan. Ecologische ontwrichting, geopolitieke spanningen, economische ongelijkheid en digitale desinformatie versterken elkaar als echo’s in een betonnen hal. Het zijn geen losse dossiers, maar communicerende vaten. Wie één probleem wil begrijpen, moet het geheel bezien. Dat maakt het gesprek er niet eenvoudiger op.
Opvallend is dat bezorgdheid over democratie zich in tegengestelde kampen manifesteert. Waar de één vreest dat de rechtsstaat wordt uitgehold, ervaart de ander diezelfde rechtsstaat als een blokkade van de volkswil. Het wantrouwen is wederzijds, maar de diagnose verschilt fundamenteel. Zo ontstaat een semantische breuk: men gebruikt dezelfde woorden — democratie, vrijheid, mandaat — maar bedoelt iets anders. Taal zelf wordt een strijdtoneel.
De schrijver positioneert zich niet als partijpolitiek acteur. Hij wil geen stemmen winnen, geen coalities smeden. Zijn rol ligt elders: in het formuleren van gedachten die buiten het electorale haalbaarheidsdenken vallen. Dat geeft hem een vrijheid die politici ontberen. Waar zij moeten rekenen, mag hij speculeren. Waar zij peilingen vrezen, kan hij radicale scenario’s verkennen.
Een van die scenario’s betreft de economie. Volgens hem is het geloof in onbegrensde groei niet slechts naïef, maar destructief. Het huidige systeem, gebouwd op expansie en concurrentie, produceert niet alleen welvaart maar ook structurele ongelijkheid en ecologische roofbouw. De planeet wordt behandeld als een onuitputtelijke voorraadschuur, terwijl de sociale verhoudingen steeds schever trekken. In zo’n analyse ligt besloten dat correcties binnen het systeem onvoldoende zijn en dat fundamentele herziening nodig is.
Zijn voorstellen — economische krimp, herverdeling, een gegarandeerd bestaansminimum — klinken voor velen utopisch of zelfs provocatief. Maar provocatie is hier methode. Door het denkbare op te rekken, probeert hij de grenzen van het debat te verleggen. Politieke moed, zo suggereert hij, begint vaak buiten de politiek zelf. Ideeën moeten ergens ontstaan voordat zij uitvoerbaar kunnen worden.
Een terugkerend obstakel is de kortademigheid van het democratische ritme. Verkiezingscycli dwingen tot snelle resultaten, terwijl de grootste vraagstukken — klimaat, infrastructuur, sociale cohesie — decennia bestrijken. Bestuurders weten vaak wel wat nodig is, maar vrezen de electorale prijs. Zo ontstaat bestuurlijke verlamming: men beheert de toekomst in plaats van haar vorm te geven.
Dat spanningsveld treft vooral progressieve bewegingen. Historisch gezien hebben zij hun ideologische scherpte deels ingeruild voor bestuurbaarheid. In de euforie na de Koude Oorlog leek het marktkapitalisme het eindpunt van de geschiedenis. Privatisering en deregulering werden omarmd als pragmatische modernisering. Wat toen realistisch leek, wordt nu door sommigen gezien als zelfontmanteling. Kiezers herkennen het verschil niet meer tussen beheer en alternatief.
Toch wijst hij erop dat politieke verbeelding kan terugkeren zodra partijen het systeem zelf weer ter discussie durven stellen. Radicale voorstellen wekken weerstand, maar ook energie. Ze creëren conflict — en dus aandacht. Zonder wrijving geen debat.
Een gevoelig instrument in dat debat is angst. Angst heeft een slechte reputatie in de politiek; zij zou verlammend werken of manipulatief zijn. Maar volgens hem is ontkenning gevaarlijker. Wanneer reële dreigingen worden gebagatelliseerd uit vrees voor paniek, ontstaat apathie. Angst kan ook mobiliseren, mits zij gepaard gaat met handelingsperspectief. Niet de afgrond zelf moet centraal staan, maar de mogelijkheid haar te vermijden.
Zijn observaties beperken zich niet tot theorie. In zijn woonland ziet hij hoe mediacontrole subtiel maar effectief kan functioneren. Niet via open censuur, maar via toon, selectie en herhaling. Wanneer nieuws verwordt tot geruststellend achtergrondgeluid, verdwijnt de urgentie uit het publieke gesprek. Burgers discussiëren minder wanneer zij geloven dat er niets te bespreken valt.
Die geleidelijke verschuiving — kleine stappen, nauwelijks zichtbaar — noemt hij verraderlijker dan abrupte breuken. Democratische erosie voltrekt zich zelden spectaculair; zij schrijdt voort in administratieve aanpassingen, benoemingen, budgetten. Tegen de tijd dat de contouren zichtbaar worden, zijn de fundamenten al aangetast.
Wat daartegenover staat, is iets ogenschijnlijk eenvoudigs: gesprek. Niet het grote parlementaire debat, maar het alledaagse spreken — aan tafels, in cafés, op pleinen. Onverschilligheid is volgens hem de vruchtbaarste bodem voor autoritaire neigingen. Elke uitwisseling van argumenten, hoe klein ook, is een vorm van burgerschap.
Opmerkelijk is dat zijn vroegere werk minder expliciet politiek was. De buitenwereld fungeerde eerder als decor dan als onderwerp. Die verschuiving wijt hij minder aan persoonlijke transformatie dan aan historische versnelling. Waar de jaren negentig werden gekenmerkt door relatieve stabiliteit en optimisme, domineert nu het gevoel dat fundamenten verschuiven. In zo’n tijd zwijgen zou kunstmatig zijn.
De schrijver achter de rooksluier is dus geen escapist, maar een chroniqueur van onrust. Zijn afzondering is schijn; via zijn teksten mengt hij zich nadrukkelijk in het rumoer. Literatuur wordt zo een vorm van burgerbetrokkenheid — geen pamflet, maar ook geen louter esthetisch spel.
Misschien is dat de paradox van zijn positie: hij waarschuwt voor de aftakeling van het democratische gesprek, terwijl hij zelf in de stilte schrijft. Maar juist daar, in die geconcentreerde afzondering, smeedt hij zinnen die bedoeld zijn om rumoer te veroorzaken. De rook trekt op, de kamer wordt weer zichtbaar, en ergens op het scherm knippert een cursor — ongeduldig, alsof ook die vindt dat het tijd is om wakker te blijven.
Recensie: Maartje Reynders
← overzicht – Het betonnen beleid

Submit your review | |
