No Image Available

Bomans op z’n best

Columns, beschouwingen en brieven van Godfried Bomans
 1
 Formaat: Paperback  Auteur: Gé Vaartjes  Genre: non-fictie  Uitgeverij: Querido  Gepubliceerd: 2025  Pagina's: 295  Taal: nederlands  ISBN: 9789025320058  Gewicht: 373  Grootte: 136mm x 215mm  Tags: biografie | Gé Vaartjes | non-fictie | Querido
 Recensie:

Men kan een schrijver bewonderen zonder hem te willen ontmoeten. Bij sommigen dringt zich zelfs de gedachte op dat een persoonlijke kennismaking de lectuur voorgoed zou bederven. In het geval van Godfried Bomans is die gedachte geen gratuite boutade, maar een conclusie die zich na lezing van Gé Vaartjes’ monumentale biografie haast vanzelf aandient. Achter het virtuoze taalspel, de sprankelende ironie en het publieke charisma doemt een mens op die zelden mild was, zelden betrouwbaar en zelden bereid zijn eigen plaats in de wereld te relativeren wanneer die plaats door anderen werd betwist.

Bomans beschikte over een zeldzame gave: hij kon spreken en schrijven met een lichtheid die onmiddellijk overtuigde. Die gave fungeerde als pasmunt én als alibi. Zij stelde hem in staat zich staande te houden in situaties waarin anderen onherroepelijk door de mand zouden vallen. Leugen en fantasie vloeiden bij hem moeiteloos in elkaar over; beloften werden gedaan met hetzelfde gemak waarmee zij later werden vergeten; trouw — in affectieve, morele en soms zelfs praktische zin — bleek een rekbaar begrip. Hij kon innemend zijn, scherpzinnig, onweerstaanbaar geestig zelfs, maar die charme had iets instrumenteels: zij diende om schade te beperken, conflicten te neutraliseren, schuld te verdampen.

Vaartjes documenteert dit alles met een bijna meedogenloze volledigheid. Deadlines die verdampten, honoraria die aanleiding gaven tot strijd, reizen die hij vervloekte en toch ondernam, lezingen waarvoor hij te laat of helemaal niet verscheen: het patroon herhaalt zich met een monotonie die op den duur meer zegt dan welk incident ook. En steeds weer is daar Pietsie Verscheure, zijn vrouw, die hij al vanaf de verloving systematisch bedroog en die toch bleef — niet uit naïviteit, maar uit een complex mengsel van loyaliteit, berusting en wellicht liefde. Tussen de regels door lijkt de biograaf haar nabijheid te zoeken, zij is de stille as waaromheen het verhaal draait. Men vraagt zich geregeld af of niet zij, veeleer dan hij, het morele middelpunt van dit leven vormt.

Zoals zo vaak bij levensbeschrijvingen lijdt ook deze onder een zekere middendruk: wanneer de contouren eenmaal zijn uitgezet, wordt herhaling onvermijdelijk. Maar in Bomans’ geval werkt die herhaling onthullend. Het leven lijkt zich niet te ontwikkelen, maar rond te draaien in een vaste groef.

Die groef werd al vroeg uitgesleten. Bomans groeide op in een welgesteld, uitgesproken katholiek milieu in Haarlem, onder het gezag van een vader die zowel intellectueel als maatschappelijk dominant was. Het geloof was er geen kwestie van persoonlijke overtuiging, maar een allesomvattende atmosfeer: aanwezig in taal, ritueel, moraal en dagelijks handelen. Het gezin bewoonde uiteindelijk een buiten met meer dan twintig kamers, omgeven door park en bos — materiële overvloed die scherp contrasteerde met de emotionele koelte die Vaartjes schetst. Bomans zou die jeugd later presenteren als een keurslijf, een bron van frustratie en verzet, al laat de biograaf overtuigend zien hoezeer dat vaderbeeld mede door de zoon zelf werd gemythologiseerd. Men kan zich bovendien afvragen in hoeverre deze vormelijkheid werkelijk uitzonderlijk was binnen de katholieke burgerij van die tijd; wellicht was zij minder traumatisch dan Bomans haar later deed voorkomen.

Zijn sociale leven speelde zich vrijwel zonder uitzondering af in de bovenlaag. Als student vond hij zijn plaats in selecte kringen, studeren zelf was al een privilege, en binnen dat privilege zocht hij opnieuw de elite op. In Nijmegen, waar hij uiteindelijk belandde, werd hij na het succes van Pieter Bas ontvangen als een beroemdheid avant la lettre. De stad fungeerde als een overzichtelijk toneel waarop hij kon schitteren. Hier ontmoette hij Pietsie, hier werd zijn behoefte aan bewondering rijkelijk gevoed, hier openbaarden zich ook zijn onvermogen tot binding, zijn neiging tot mythologiseren, zijn studie die nooit voltooid werd.

Nijmegen vormt in Vaartjes’ boek een soort miniatuurversie van Bomans’ hele bestaan. Alles wat later grootschaliger zou terugkeren, is hier al aanwezig: de affaires, de conflicten, het verlangen naar een zuiver verleden, een ‘vroeger’ dat in herinnering steeds schoner wordt. Des te schrijnender is de ironie van zijn nostalgische terugkeer in 1947, wanneer hij zich in zijn oude studentenkamer overgeeft aan weemoed, terwijl de stad om hem heen nog getekend is door verwoesting, verlies en rouw. Dat Bomans dit nauwelijks lijkt te registreren, zegt wellicht meer over zijn blik dan over zijn omgeving.

Vaartjes is niet onfeilbaar in zijn lokale en historische details, maar belangrijker is wat hij soms laat liggen. Zo blijft Bomans’ houding tegenover de Kultuurkamer opvallend onderbelicht. In een periode waarin hij bepaald niet bekendstond om principiële standvastigheid, weigerde hij ondubbelzinnig aansluiting, met als gevolg dat zijn inkomsten jarenlang stilvielen. Even terloops vernemen we dat hij postuum werd onderscheiden door Yad Vashem wegens hulp aan een Joodse onderduiker. Zulke momenten, die een ander licht werpen op zijn morele register, hadden meer ruimte verdiend.

Die ambiguïteit geldt ook voor zijn katholieke identiteit. Bomans kon binnen de eigen kring scherp en bijtend zijn, terwijl hij naar buiten toe geloof en kerk bleef verdedigen. Zijn reacties verraden een diep verankerde burgerlijke loyaliteit, zelfs wanneer hij zich vrijpostig waande. Opmerkelijk is hoe weinig aandacht Vaartjes besteedt aan zijn geloofspraktijk in latere jaren. Wanneer blijkt dat hij niet langer ter kerke ging en de religieuze opvoeding van zijn dochter losliet, blijven de motieven onverkend. Voor iemand die voor velen als gids fungeerde in een tijd van katholieke twijfel, is dat een opvallende lacune.

Hetzelfde geldt voor de spanning tussen moraal en gedrag. Hoe verzoende Bomans zijn geloof met zijn talloze buitenechtelijke relaties? Was het geweten tot zwijgen gebracht, of gold voor hem een ander moreel regime dan voor de doorsnee gelovige? Het boek suggereert veel, maar vraagt hier te weinig door.

Een andere constante is de innerlijke tweespalt tussen publieke aanwezigheid en private ambitie. Bomans wilde gezien worden, toegejuicht, bevestigd — en tegelijk droomde hij ervan zich terug te trekken om eindelijk het grote, blijvende werk te schrijven. Dat werk kwam er niet. Na Erik bleef zijn faam rusten op bundelingen, hergebruik, gelegenheidswerk. Commercieel was dit alles een ongekend succes. Zijn inkomsten waren enorm; hij had zich zonder moeite kunnen afzonderen. Dat hij dat niet deed, wijst op een afhankelijkheid van het applaus die sterker was dan zijn literaire ascese.

Rond zijn vijftigste begon dit te knagen. Ondanks zijn populariteit wist hij niet wie hij was, noch waarom hij gelezen werd. Zijn zelfonderzoek stuitte op leegte. Als schrijver bleef hij moeilijk te classificeren: geen psychologische diepgang, maar types; geen existentieel experiment, maar scherpzinnige observatie. Hij stond haaks op de modernistische tijdgeest en werd daardoor — in zijn eigen ogen — miskend, al spraken de verkoopcijfers een andere taal.

Het slot van Vaartjes’ boek is van een ontroerende eenvoud. Uitgeput, opgejaagd, keert Bomans terug van Rottumerplaat. Medische hulp komt te laat. Zijn hart begeeft het. De laatste woorden zijn voor Pietsie: ‘Ach, arme jongen.’ In die verzuchting ligt meer besloten dan in vele analyses.

Wat blijft, is het beeld van een man die zelden werkelijk geliefd was. Bewondering had hij te over, minnaressen, collega’s, volgelingen — maar vriendschap bleek hem vreemd. Misschien verklaart dat zijn neiging tot clubs en genootschappen: georganiseerde nabijheid zonder persoonlijke inzet, altijd op ironische afstand te houden.

De vraag dringt zich op hoe zijn gedrag zou zijn beoordeeld zonder het schild van roem en succes. Zonder cultureel en economisch kapitaal was hij wellicht niet meer geweest dan een hinderlijke figuur aan de rand van het gezelschap.

Recensie: Bert Van Overmere

overzicht Vleugelman

Submit your review
1
2
3
4
5
Submit
     
Cancel

Create your own review

Bomans op z'n best
Average rating:  
 1 reviews
 by Claus Boonstra

Ik herinner me nog goed hoe ik Godfried Bomans voor het eerst ontmoette in Alkmaar. Hij had een bijzondere manier van spreken: humoristisch, scherpzinnig, maar altijd vriendelijk. Je voelde meteen dat hij oprecht geïnteresseerd was in de mensen om hem heen. Wat mij het meest bijbleef, was zijn glimlach — je wist dat hij elk gesprek tot iets plezierigs kon maken. Moeilijk? Helemaal niet. Voor mij was hij een charmante, warme man die het leven licht en grappig maakte, zonder ooit neerbuigend te zijn.

Scroll naar boven
Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.