De grens
De Grens is een geschenk: het biedt een rijke visie op mens, dood en ontwikkeling en een onmisbaar strategisch geopolitiek uitzicht op China. Het biedt een uitzonderlijk verhaal, het relaas is de rijpe vrucht van een excentrisch en gepassioneerd leven van reizen, onderzoeken, moederschap, studie, inkeer en reflectie.
Het essay is op te vatten als een reisverhaal door het leven van de schrijfster: van het meisje uit een dorp tegen de Nederlandse grens, ongewoon zoekend en intelligent, door verlies getekend ook droevig en beschouwend, naar de originele, sterke, boeiende, diepzinnige, figuur en Chinakenner van grote klasse, de wijd en zijd bekende Jeanne Boden. Ik kwam op het spoor van het werk via het interview van Kelly Keasberry in het zomernummer van het magazine Tertio, het onvolprezen blad van christelijke signatuur met belangstelling van politiek en economie tot kunst, spiritualiteit en godsdienst. Jeanne Boden heeft nog geen Wikipedia profiel, maar is volgens onze info geboren in 1957; in dat leven dat gauw zeventig jaren beslaat heeft zij uitzonderlijke dingen gedaan; dat avontuurlijke, zoekende bestaan resulteert in een persoon met een boodschap.
Boden heeft China leren respecteren en bewonderen, en leerde het ook in zijn onaantrekkelijke kanten kennen, zowel het duizenden jaren oude China als het hedendaagse. Zij schetst helder de talenten, interessante waarden en rijkdom die zij daar vond, maar ook de schadelijke kanten van de typerende Chinese manier van denken en doen. Bijvoorbeeld in volgende passage:
“Het organisatietalent van China is indrukwekkend. Europa kan heel wat leren van die uitzonderlijke efficiëntie en snelheid. Bij afwezigheid van inspraak kan de top in een mum van tijd beslissingen nemen en opleggen. Zo werd in het begin van de Coronacrisis in amper tien dagen tijd een ziekenhuis voor duizend patiënten opgetrokken. Zoiets kan enkel omdat de centrale overheid alle beslissingsmacht heeft en omdat er geen rechten zijn. In geen tijd worden allerlei gebouwen op een terrein gesloopt, worden autostrades afgesloten en zet de overheid bedrijven en mediakanalen in. Alle hens aan dek, uitvoeren en geen vragen stellen”.
China, zo ziet het er vandaag uit, zal in de rest van de eeuw meer en meer ook het leven en de omstandigheden en waarden beïnvloeden bij ons. De vraag blijft of de Europeaan de hoge prijs wil betalen die bij dit soort dictatoriaal aangestuurde “efficiëntie” hoort. Zielenherders, de meestal overwerkte psychiaters, merken al langer op dat onze samenleving een hoge tol betaald (aan mentale problemen, tot en met zelfdoding) voor “een teveel aan effectiviteit dat leidt tot een gebrek aan affectiviteit” (prof. dr. Piet Nijs).
Dat ziet de auteur ook: “De partijtop treedt niet in debat met de basis. Het volk heeft geen stem” (p. 67). “Chinezen hebben een ongelofelijk vermogen om onrechtvaardigheid te incasseren. Ze leren van kindsbeen af om ’bitterheid te eten”, chiku.
Het boek brengt een verhaal, een getuigenis met sterke spirituele aspecten en is aanbevolen aan iedereen die zich een betere band met de overleden moeder, vader en familieleden wenst. Verdiepend is het werk ook over moederschap en over creatieve, eigentijdse kunst.
De Grens zet wat mij betreft een nieuwe standaard in het autobiografische genre, de memoir; naast bijvoorbeeld Dreams from my father van Barack Obama en Mazzel Tov van Margot Vanderstraeten.
Boden is een liefhebber van China, zijn cultuur, zijn mensen, maar zeker geen dweper. Zij schetst op pakkende wijze wat Beijing met de Tibetaanse cultuur heeft uitgehaald, en met deze van de Oeigoeren in Xinjiang, een gebied dat traditioneel en etymologisch letterlijk buiten China lag, maar dat de partij nu propagandistisch benoemd als “altijd al een deel van China”; de reden voor die politieke propaganda is niet ver te zoeken: de ondergrond is er vol schaarse ertsen en energie. Met belangstelling lees ik meer in zinnen als “De “autonome regio’s, daar is niets autonooms aan; de centrale controle is er nog sterker dan in andere gebieden” (p. 110).
De lezer krijgt geschetste biografieën van (andere) grote vrouwelijke persoonlijkheden die in China actief zijn geweest, zoals Alexandra David-Néel. Zij was een geleerde en dappere vrouw die te voet over de Himalaya trok en in haar werk Pour la vie van leer trekt tegen elke vorm van macht en alle machthebbers, ook tegen de Kerk.
Tijdens het lezen denk ik vaak terug aan de boekvoorstelling van Het geweld van geld van de filosoof Antoon Vandevelde; tijdens dit event stelde ik kritische vragen, waar de auteur blij mee was; ik zag het geweld van geld nog dramatischer toeslaan dan hij, die, geschoold als economist, nog teveel aan sympathie met kapitaal kleeft. Niet alleen wat Vandevelde beschrijft, maar ook de schade aan milieu en natuur en de toenemende mistoestanden wat mentale gezondheid betreft in ons land en in de wereld (zelfs India kent een plaag van depressieve mensen en in bepaalde Chinese steden slaat zelfdoding diepe wonden) zie ik als duidelijke gevolgen van teveel belangstelling en waarde attributie aan geld. In China, zeker sinds het aantreden van de nieuwe autocraat Xi Jinping, is de kaalslag voor de afgod van het geld scherp aan de gang. De beschrijving van Jeanne Boden spoort hierin met wat ik persoonlijk leerde uit contacten met Chinezen in mijn thuisstad in Vlaanderen, hoewel mij van vrienden ook heel mooie getuigenissen bereiken van de fijne, dankbare persoonlijkheid van de studenten te gast in Leuven.
De behandeling van de minderheden lijkt intussen ronduit mensonterend. Met de Oeigoeren is hardvochtig omgegaan. “Al wat ze doen is plots controversieel: hun eten, hun drinken, hun huizen, hun kleren, de manier waarop ze hun baby’s vasthouden en koesteren, de wijze waarop ze hun doden begraven”. De Chinese geest, akelig gefocust op kapitaal vergaren en vergroten van de economische power, is als een virus die menselijke culturen leegzuigt en wegvaagt. Een stukje eigen onderzoek laat toe een voorbeeld te geven: de schade die dit soort ‘economisme’ de mens en zijn vitaliteit berokkend, is niet te onderschatten; zo laat de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) weten dat baby’s op de huid, op borst of rug dragen, een uitstekende manier van opvoeden is; die kinderen levenslang van zelfzekerheid voorziet en van mentale structuren die toelaten geluk te ervaren. Waar vrouwen snel na de geboorte naar de werkvloer worden gedwongen, kan het kind geen sterke fundamenten leggen, en wordt geluk ervaren op volwassen leeftijd meteen gehypothekeerd.
Jeanne Boden werkte een tijdje in de psychiatrie; de onrust van de mensen daar die zelf worstelen met het leven bracht haar echter te weinig rust. Zij leerde in die kringen wel over de pijn van de mens, en die van haarzelf. Het moederschap gaf haar veel: “ik kon weer leven. Een leven baren onttrok me aan de dood. Het moederschap maakte mij gelukkig. Het gaf me enorm veel innerlijke rust”. Toch was dit, deze existentiële verandering, ook ambivalent: “Ik voelde me opgesloten in het nest dat ik zelf had gecreëerd; (..) het was een overrompeling van taakjes en op en neer draven dag na dag. Crisissen bij kersverse moeders behoren wellicht tot de meest onbesproken onderwerpen”.
Jeanne Boden kon niet anders dan na het baren terug de wijde wereld intrekken. Haar kinderen liet ze bij de vader achter. Het boek draagt ze op aan die kinderen; die zullen zeker een interessante moeder hebben, ook juist dankzij die avontuurlijke reisdrang. Kregen zij ook voldoende kansen op veilige hechting? Om het moederschap aan te kunnen , ging Jeanne Boden… Chinees studeren. Dat werd een levenslange passie, gedreven door plezier. Elk leven is anders Boden vond haar heel eigen weg, jaar na jaar; toen de kinderen oud genoeg waren, gingen ze meer op reis naar Tibet en China, en dat “opende hun ogen. Het reizen gaf hun vertrouwen, in zichzelf en de wereld.” Jeanne Boden was veel weg van huis, maar “Het maakte de periodes van aanwezigheid bij mijn kinderen zoveel intenser en onze verbinding ijzersterk”.
Ik wil het geloven; onze moeder was voor onze geboorte een professionele reizigster in een dozijn landen; wij kregen veel mee van deze vrouw met uitzonderlijk open en verrijkte geest, bij wie er in Bodens woorden “geen grenzen in het hoofd zaten”. Ik kan de auteur dan ook goed volgen als zij concludeert op pagina 125: “Samen avonturen beleven brengt mensen dichter bij elkaar”.
Daarbij denk ik terug aan de woorden van Rik Torfs, toen die in zijn column in De Standaard spotte met een bepaalde bekrompen Vlaamse geest, en met zijn bekende ironie de onvergetelijke conclusie maakte: “Wie nooit reist, heeft altijd gelijk”. Wie nooit reist, zit in een afstompende bubbel.
Hoe lastig en pijnlijk het voor een moeder kan zijn ver en lang thuis weg te gaan, blijkt uit volgende passage: “Ik was van nature een nomade. Een onderzoeker in hart en nieren. (..) Elke avond stierf ik van de pijn omdat ik mijn kinderen zo miste. Elke dag schreef ik hun een brief, om even bij hun te kunnen zijn.” Voor een persoon met een rijk innerlijk leven zijn de dingen vaak ambivalent en allesbehalve eenvoudig. De zoektocht en de oplossingen van Jeanne Boden maken indruk.
We leren overigens ook dat de door overheden geplaagde Chinezen ook veel lachen; lachen is bevrijdend afstand nemen van de dingen, zo onthield ik van een adagium dat ik las in de tienerjaren. Mark Eyskens, de voormalige Buitenlandminister, schrijver en hoogleraar, koestert in dit verband volgende boutade: “In ons land heerst een gebrek aan humor, en dat wordt verergerd door een gebrek aan ernst”.
Jeanne Boden lijkt al bij al het epitheton Ontdekkingsreiziger te verdienen. Een reiziger met open ogen en oren die dapper naar vrij onbekende gebieden trok; er de dingen grondig bestudeerde en er vrienden voor het leven maakte. Met dit boek levert zij een sterk en helder beeld van de Chinese cultuur en politiek. Het beeld dat we ontvangen is zoals gezegd dubbel, ambigu, maar daardoor juist geloofwaardig; zoals Jeanne Boden ergens schrijft: “De dingen zijn [voor de onderzoeker] nooit wit-zwart.”
De Grens vormt een uniek ‘levensverslag’ van een uitzonderlijke vrouw; Boden is verstandig, zelfbewust, veerkrachtig, sensitief geweest in haar meanderende bestaan, een persoon met een rijke innerlijke wereld. Het is een boeiend boek geworden dat werkelijk wijsheid bevat. Met geregeld verontrustende en overtuigende analyses van het kwade dat in het Chinese systeem schuilt; ook al blijft Boden ervan overtuigt dat wij als witte westerlingen veel te lang ons standpunt als universeel namen, en daarbij heel wat stuk gemaakt hebben. Van inheemse culturen tot de Natuurlijke leefcontext. Voor Jeanne Boden is contact met China nuttig: het kan ons losweken van eeuwenoude eenzijdige manier van kijken; de lineariteit in ons tijdsbeeld, bijvoorbeeld. We kunnen zo vrij komen van het gebrek aan een holistische benadering, die het taoïsme wél biedt.
Wat de politiek betreft leren wij het klaar en duidelijk: onder president-dictator Xi Jinping sluit China zich meer en meer. De wil naar wereldmacht is groot; “in die machtswil schuilt altijd peilloze angst” zo analyseert Boden terecht. En helaas: “Macht neemt de angst niet weg”. Eens te meer doorziet een vrouw zonder veel moeite een trotse, vooraanstaande man, een keizer zonder kleren, zoals die voorkomt in het sprookje van Grimm. China is al duizenden jaren hiërarchisch en centraal georganiseerd; in de huidige fase gaat het hard op dit vlak. De aanleg van insfrastructuur als hoge-snelheidstreinen en het opkopen van strategische plekken in diverse werelddelen (Piraeus, de haven!) hebben een omineuze kant;
een wereld van top-down controle en verplicht zwijgen en gehoorzamen zal zich pogen als een net over de wereld te leggen. Het westen heeft gelijk China als een systemische tegenstander te definiëren. De tactiek van gastvrij onthaal, geschenken geven en geduld enerzijds, en anderzijds van terughoudendheid, van geheimen behouden, het achterste van zijn tong niet laten zien… heeft het Westen in de luren gelegd. Het lijkt erop dat de “geheime krachten” van het westen, gebundeld rond kapitaal, wetenschap en technologie… bij de Chinezen in de handen van een obsessieve leerling-tovenaar zijn terecht gekomen. Een leerling die, na eeuwen van armoede, in een dolle ren door de geschiedenis er niet genoeg van krijgt, en akelig grote offers oplegt aan individuen en exotische volkeren en culturen. Dit boek met puur witte kaft zonder illustraties las ik als een biografische, spirituele, culturele en politieke thriller. Eentje die tegelijk sereniteit uitstraalt. Hier spreekt een vrouwelijk genie. Ondanks enkele beperkingen, ontvang je een constructieve boodschap, interessant in zijn alternatief. China komt uit de verf als een waardevolle spiegel voor een Europa dat ondanks de cultureel, materieel en spiritueel verrijkende tijd van de Kolonisatie, zichzelf nog niet helemaal helder heeft in beeld gekregen, en daardoor de werkelijkheid – en de dood – nog op eerder onhandige manier benadert. De boodschap van de auteur lijkt te zijn dat er ruimte blijft voor toekomst; voor groei; groei voor de individuele mens en voor de Mensheid.
Bezoek voor meer details de site van Jeanne Boden.
Recensie: Stefaan Hublou S.
← overzicht – Terug naar China

Submit your review | |
De Grens is een zorgvuldig en met grote toewijding opgebouwd werk, bestaande uit korte, toegankelijke fragmenten. Het richt zich in de eerste plaats tot een Europees publiek, maar lijkt evenzeer een persoonlijke reflectie van Jeanne zelf: haar visie op China, zoals zij die wil overbrengen aan Europeanen die er vooral economische kansen zoeken. Het boek fungeert als een sterke en eerlijke kennismaking met het land en schuwt kritische waarheden niet, ook — en misschien juist — voor lezers die China al eerder hebben bezocht.
jeanne Boden is zonder enige twijfel een autoriteit als het over China gaat. In 'De grens' verlaat ze gebaande paden en neemt ons mee in een manier van denken en reflecteren die we in het Westen niet meer kennen of misschien wel nooit gekend hebben. Het is een prachtig boek voor iedereen die zich vragen stelt zonder te verwachten die in een handomdraai beantwoord te krijgen. China is en blijft waarschijnlijk altijd een wereld die geheimen koestert en als geen ander weet te voorkomen dat ze ontsluierd worden.
