De stem van mijn stilte
In De stem van mijn stilte doorbreekt Veerle Hegge op indrukwekkende wijze een hardnekkig taboe: eetstoornissen op latere leeftijd. Het is een onderwerp dat vaak omgeven is door onbegrip, ongemak en onuitgesproken vragen. De omgeving weet zich geen raad, durft niet te vragen en reageert met onhandige stiltes, opgetrokken schouders en snelle oordelen. “Eet toch gewoon een boterham.” klinkt het dan. “Doe normaal.” Alsof het zo simpel is. Alsof een eetstoornis een keuze is, een kwestie van wilskracht.
Veerle Hegge weet in haar boek op overtuigende wijze aan te tonen dat dit allesbehalve het geval is. Met De stem van mijn stilte verbreekt ze het zwijgen dat zo kenmerkend is voor degenen die worstelen met een eetstoornis. Ze biedt de lezer een eerlijke, ontluisterende inkijk in wat er werkelijk schuilgaat achter haar jarenlange strijd. Ze deelt openhartig de complexiteit van haar ervaringen, de innerlijke conflicten en de diepgewortelde pijn die haar jarenlang hebben gekweld.
Wat drijft iemand ertoe om niet te eten? Waarom blijven ze zwijgen, zelfs wanneer de nood het hoogst is? En hoe is het mogelijk om ogenschijnlijk moeiteloos door te gaan met het leven, terwijl er vanbinnen een allesverterende strijd woedt? Veerle Hegge geeft antwoord op deze vragen door de lezer mee te nemen op een persoonlijke reis, een reis die begint in haar kindertijd en leidt naar de confrontatie met een diepgeworteld trauma. Een trauma dat uiteindelijk de aanleiding vormde voor haar innerlijke schreeuw, de schreeuw die zo lang verstomd was gebleven.
De kracht van De stem van mijn stilte schuilt in de heldere, ongefilterde woorden waarmee Veerle Hegge haar verhaal vertelt. Ze vermijdt opsmuk en clichés, maar kiest voor een directe, eerlijke benadering. Ze spaart zichzelf niet, maar is tegelijkertijd ook mild en begripvol. Ze toont haar kwetsbaarheid, maar ook haar kracht en veerkracht. Dit maakt het boek niet alleen aangrijpend, maar ook hoopgevend.
De stem van mijn stilte is meer dan alleen een persoonlijk verhaal. Het is een boek dat houvast biedt aan wie zoekt naar een stem, aan wie worstelt met een eetstoornis en zich niet gehoord voelt. Het is een boek dat de hand reikt aan wie bereid is te luisteren, aan wie openstaat voor de complexiteit van de menselijke psyche. Het is een boek dat aanzet tot reflectie en dialoog, en dat bijdraagt aan het doorbreken van het taboe rond eetstoornissen.
Veerle Hegge heeft met dit boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de literatuur over eetstoornissen. Ze laat zien dat een eetstoornis niet alleen een probleem is van jonge meisjes, maar dat het ook op latere leeftijd kan voorkomen. Ze laat zien dat een eetstoornis niet alleen een fysiek probleem is, maar ook een psychisch probleem dat diep geworteld kan zijn in iemands verleden. En ze laat zien dat het mogelijk is om te herstellen van een eetstoornis, om je stem te vinden en om een nieuw leven te beginnen.
De stem van mijn stilte is een boek dat je niet onberoerd laat. Het is een boek dat je aan het denken zet, dat je raakt en dat je inspireert. Het is een boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die te maken heeft met een eetstoornis, of het nu als patiënt, als familielid, als vriend of als professional is. Het is een boek dat kan helpen om het taboe te doorbreken, om het stigma te verminderen en om de weg te openen naar herstel.
Kortom, De stem van mijn stilte is een indrukwekkend, eerlijk en hoopgevend boek dat een belangrijke bijdrage levert aan het begrip van eetstoornissen op latere leeftijd. Een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in dit onderwerp.
Recensie: Elke Haenen
← overzicht – Ik werd kamer 235

Submit your review | |
Moedige vrouw om hiermee naar buiten te komen, dat zal een moeilijke beslissing geweest zijn dat kan niet anders.
Sommige boeken laten zich lezen, andere nestelen zich, langzaam en onontkoombaar, in het innerlijk. Dit werk behoort tot die laatste categorie. Het ontleent zijn kracht niet aan retoriek of effectbejag, maar aan een vorm van aandachtig spreken die tegelijk fragiel en standvastig is. In de soberheid van de taal openbaart zich een vrouwelijke stem die weigert te verdwijnen in omzichtigheid. Ze benoemt wat doorgaans wordt verzwegen en verleent woorden aan ervaringen die velen herkennen, maar zelden hardop durven denken. Zo wordt het boek een tegenstem in een cultuur die stilte vaak verwart met rust.
De compositie is zorgvuldig en betekenisvol. Elk hoofdstuk opent met een elf woorden tellend gedicht—een miniatuur die de toon zet en de lezer dwingt tot vertraging. Vanuit die geconcentreerde aanhef ontvouwt zich een mozaïek van scènes en reflecties: ziekenhuisopnames, herinneringen aan het verleden, het moederschap, de intieme dynamiek van partnerschap, en vooral de verstorende logica van een eetstoornis. Wat hier wordt blootgelegd, is geen lineair verhaal van ziekte en genezing, maar een complexe innerlijke topografie waarin controle, schaamte en verlangen elkaar voortdurend kruisen. Door niets te verbloemen, wordt het taboe niet bestreden met slogans, maar met precisie.
Opmerkelijk is de wijze waarop de auteur de blik ook naar buiten richt. Niet om te beschuldigen, maar om uit te nodigen. De omgeving wordt aangesproken op haar stilzwijgen, dat vaak voortkomt uit onzekerheid of angst om het verkeerde te zeggen. Die stilte, zo maakt het boek duidelijk, kan onbedoeld samenspannen met de destructieve stem van de stoornis zelf. De oproep is eenvoudig en veeleisend tegelijk: laat oordeel wijken voor nieuwsgierigheid, stel vragen, blijf in gesprek. Waar taal open en niet-veroordelend wordt ingezet, kan schaamte verschuiven en ontstaat ruimte voor iets wat op herstel lijkt.
Herstel, zo blijkt, is geen eindpunt maar een praktijk. Het bestaat uit herhaalde pogingen, uit terugval en herbeginnen, uit volharding in het alledaagse. Verbinding vormt daarbij de kern: met het eigen lichaam, met het geleefde leven, met de mensen die daarin aanwezig blijven. Die gedachte krijgt extra reliëf door de afsluitende beschouwingen van twee clinici, die het persoonlijke relaas plaatsen binnen bredere kaders van eetstoornissen en complex trauma. Hun stemmen voegen geen uitleg toe om te verklaren, maar om te verdiepen.
Wat resteert na het omslaan van de laatste bladzijde is geen geruststelling, maar een aangescherpte aandacht—voor hoe we spreken, zwijgen en kijken naar elkaar. Dit boek dwingt tot zelfonderzoek: naar onze omgang met kwetsbaarheid, naar de snelheid waarmee we meningen vormen, naar de woorden die we niet vinden. Het werkt onderhuids, juist omdat het weigert te dramatiseren. Misschien raakt het daarom zo diep: omdat het iets verwoordt wat velen meedragen zonder taal. In die zin doorbreekt het niet alleen een persoonlijke stilte, maar een collectieve. En precies daarin schuilt zijn literaire en menselijke betekenis.
