Een vlucht regenwulpen
Formaat: Paperback Auteur: Maarten 't Hart Genre: fictie Uitgeverij: De Arbeiderspers Gepubliceerd: 2024 Pagina's: 198 Taal: nederlands ISBN: 9789029553490 Gewicht: 264 Grootte: 137mm x 214mm Tags: De Arbeiderspers | fictie | Maarten 't Hart | romanDat een roman zich zo diep in het collectieve geheugen kan nestelen dat hij tegelijk alomtegenwoordig en ongelezen blijft, is een merkwaardig cultureel verschijnsel. Met Een vlucht regenwulpen is precies dat het geval. Het boek is een vaste waarde geworden in de Nederlandse naoorlogse literatuur: herdrukt, verfilmd, verpakt als klassieker én als kiosklectuur. Het bezit de zeldzame dubbelstatus van canon en consumptiegoed. Juist daarom rustte er voor mij een lichte gêne op het feit dat ik het nog niet gelezen had, temeer omdat eerdere ontmoetingen met het oeuvre van Maarten ’t Hart mij steeds een mengeling van ontroering en bewondering hadden bezorgd. Met hoge verwachtingen begon ik aan de roman die voor velen zijn naam definitief vestigde. Die verwachtingen werden niet geheel ingelost — al bleek de teleurstelling productief, omdat zij scherper zicht gaf op de kiem waaruit zijn latere werk zou groeien.
De contouren van het verhaal zijn intussen gemeengoed. De hoofdpersoon, Maarten, groeit op in een streng gereformeerd milieu dat zijn gevoelsleven eerder knevelt dan vormt. Vriendschap is voor hem een raadselachtig ritueel waarvan hij de codes niet beheerst; lichamelijke nabijheid is nog problematischer. Zijn verliefdheid op Martha — een naam die al de bijbelse ernst van zijn jeugd echoot — blijft steken in verlegen observatie. Waar het sociale leven stagneert, ontplooit zich echter een intellect dat uitzonderlijke hoogten bereikt. Als bioloog specialiseert hij zich in het ontstaan van elementaire levensvormen: in het laboratorium lukt hem wat hem in het dagelijkse leven niet lukt — het initiëren van contact, het scheppen van verbinding.
Dat contrast vormt het symbolische geraamte van de roman. Terwijl zijn wetenschappelijke reputatie groeit en hem tot over de landsgrenzen erkenning brengt — culminerend in een congresreis naar Bern — krimpt zijn innerlijke wereld samen onder de druk van een obsessieve doodsverwachting. Hij is ervan overtuigd dat zijn leven nog slechts dagen telt. Die overtuiging is geen theatrale pose maar een existentieel grondgevoel dat elke ervaring kleurt. Wanneer hij tijdens een bergwandeling ten val komt, lijkt de voorspelling zich te voltrekken. De koortsdroom die volgt — ergens tussen hallucinatie, inzicht en mogelijke sterfscène — fungeert als symbolische ontlading: een nacht waarin angst oplost, maar waarin onduidelijk blijft of dat gebeurt dankzij genezing of dankzij het einde zelf.
Hoewel de roman eind jaren zeventig verscheen, draagt hij de energie van een vroeger stadium in ’t Harts schrijverschap. Hij werd in feite al aan het begin van de jaren zeventig geschreven en leest als een werk waarin de latere thematische signatuur zich nog moet uitkristalliseren. Toch zijn de motieven die zijn oeuvre zouden kenmerken al nadrukkelijk aanwezig: de troost en wreedheid van de natuur, de dubbelzinnige verhouding tot religie, de erotiek als bron van zowel verlangen als schaamte, en de dood als constante onderstroom. Muziek en wetenschap fungeren, zoals vaker bij ’t Hart, als ordenende tegenkrachten tegen de chaos van het gevoelsleven.
Wat onmiddellijk treft, is de intensiteit waarmee verliefdheid wordt geobserveerd. Niet als romantische vervoering, maar als een bijna biologische staat van zijn: een mengsel van fixatie, angst en lichamelijke verstarring. ’t Hart beschrijft die ervaring met een zintuiglijke precisie die tegelijk teder en pijnlijk is. Even sterk is zijn vermogen om sociale onhandigheid invoelbaar te maken. De kleinste interactie wordt een moreel examen; elk gebaar kan mislukken. In zulke passages gloeit het talent dat zijn latere romans zo overtuigend zou maken: het vermogen om psychische kwetsbaarheid te verbinden met ironische lichtheid.
Stilistisch is het boek opvallend toegankelijk. De zinnen stromen vlot, soms zelfs speels, en worden regelmatig opgelicht door observaties die even geestig als scherp zijn. ’t Hart bezit een talent voor formuleringen die alledaagse werkelijkheden plots van een vervreemdende glans voorzien. Zulke momenten geven de roman vaart en voorkomen dat de zwaarte van thema’s als doodsangst en religieuze beklemming verstikkend wordt.
Toch openbaart zich juist in de thematische uitwerking ook de beperking van dit vroege werk. De symboliek ligt er geregeld te nadrukkelijk bovenop. De parallel tussen Maartens seksuele geremdheid en zijn wetenschappelijke vermogen om kunstmatig leven te scheppen is intrigerend, maar wordt zo expliciet uitgewerkt dat de lezer weinig ruimte krijgt om zelf verbanden te leggen. Waar ’t Hart later zou vertrouwen op suggestie, kiest hij hier nog voor onderstreping. Hetzelfde geldt voor de reeks motieven rond steriele erotiek en jeugdtrauma: ze worden zorgvuldig opgebouwd, maar missen soms de subtiliteit die ze werkelijk verontrustend zou maken.
Literaire schaduwen zijn bovendien duidelijk herkenbaar. De invloed van Simon Vestdijk hangt als een dunne nevel over de roman. Niet alleen via expliciete verwijzingen, maar ook in thematiek en toon. De gekwelde adolescent, de obsessieve jeugdliefde, het pesten dat zich vastzet in een bijna metafysisch schuldgevoel — het zijn elementen die onmiskenbaar doen denken aan Vestdijks Anton Wachter-cyclus. Hommage en navolging liggen hier dicht bij elkaar. Soms verrijkt dat de roman, soms dringt zich het gevoel op dat de jonge ’t Hart nog schrijft in een stem die niet volledig de zijne is.
Enkele scènes illustreren eveneens zijn neiging tot explicitering. Zo is er een jeugdherinnering rond een medische ingreep die met grote emotionele nadruk wordt verteld. De scène is bedoeld als sleutel tot Maartens gevoel van verraad en lichamelijke angst, maar wordt zo uitvoerig uitgelegd dat de symbolische kracht er eerder door verzwakt dan verdiept. Waar stilte had kunnen snijden, spreekt de tekst te luid.
Dat alles betekent echter geenszins dat Een vlucht regenwulpen tekortschiet als roman. Integendeel: het boek bezit een emotionele directheid die verklaart waarom het zo’n breed publiek heeft gevonden. De existentiële angst, de hunkering naar nabijheid, het conflict tussen geloof en lichamelijkheid — ze worden met een openheid beschreven die lezers herkent en raakt. Juist de combinatie van intellectuele thematiek en herkenbare kwetsbaarheid verleent het werk zijn blijvende aantrekkingskracht.
Achteraf bezien leest de roman vooral als een momentopname van een schrijver in wording. De contouren van het latere meesterschap zijn zichtbaar, maar nog niet volledig beheerst. In zijn latere boeken zou ’t Hart losser omgaan met invloed, soberder suggereren en meer vertrouwen op de intelligentie van zijn lezer. Daar wint zijn proza aan diepte en resonantie.
Misschien is dat wel de meest vruchtbare manier om Een vlucht regenwulpen te lezen: niet uitsluitend als monument, maar als oorsprongsdocument. Een roman waarin talent zich overvloedig aandient, soms ongedisciplineerd, soms overduidelijk, maar onmiskenbaar krachtig. Had het boek onmiddellijk na voltooiing het licht gezien, dan was het vermoedelijk begroet als een opvallend debuut vol belofte. Die belofte is later ruimschoots ingelost. Juist daarom blijft het fascinerend terugkeren naar dit vroege werk — niet om het te vereren als volmaakt, maar om er de eerste vluchtbeweging in te herkennen van een schrijverschap dat nog veel hoger zou opstijgen.
Recensie: Tjerk Boonstra

Submit your review | |
