Rahila’s geheimen
Judit Neurink behoort tot die zeldzame schrijvers voor wie het Midden-Oosten geen decor is, maar een levensruimte die haar denken, kijken en schrijven blijvend heeft gevormd. Als journalist werkte zij jarenlang in het Koerdische noorden van Irak, waar zij tussen 2008 en 2019 verslag deed voor Nederlandse en Belgische media. Daar beperkte zij zich niet tot observeren alleen: met steun van Free Press Unlimited stond zij aan de wieg van een mediacentrum dat zich inzette voor de professionalisering van Koerdische en Arabischtalige verslaggevers. Trainingen, ontmoetingen, het versterken van een fragiele persvrijheid — het waren praktische bouwstenen voor democratie in een regio waar informatie zelden vanzelfsprekend is. Haar werkterrein raakte geregeld aan conflictgebieden en extremisme, maar zij benadrukt steevast dat zij geen oorlogsreporter is. Wat haar drijft, is de wil om menselijke beweegredenen, culturele gelaagdheid en persoonlijke geschiedenissen te doorgronden. Tegenwoordig woont zij in Athene, op afstand van het strijdtoneel dat haar oeuvre mede vormde.
Haar roman Rahila’s geheimen kan gelezen worden als een voortzetting van De Joodse bruid uit 2014, al staat het boek ook zelfstandig overeind. Net als in haar eerdere titels — waarin journalistieke documentatie en literaire verbeelding elkaar vaak raken — beweegt Neurink zich op het snijvlak van feit en fictie. Haar werk getuigt van een aanhoudende fascinatie voor Irak, voor religieuze minderheden, voor vrouwenlevens onder druk, en voor de doorwerking van geweld in families.
Centraal in de roman staat een grotendeels vergeten geschiedenis: die van de Joodse gemeenschappen in Iraaks Koerdistan, die daar eeuwenlang deel uitmaakten van het sociale weefsel. Pas in de twintigste eeuw, en vooral rond de Tweede Wereldoorlog, sloeg de sfeer om. Antisemitisme wortelde ook hier, met vervolging en massale emigratie tot gevolg. Veel Joden vertrokken naar Israël, berooid en beroofd van nationaliteit, gedwongen hun bezittingen achter te laten. Wat restte, waren herinneringen — en zwijgen.
Dat zwijgen krijgt gestalte in het dagboek van Rahila, de grootmoeder van hoofdpersoon Zara. Wanneer Zara deze memoires ontdekt, ontvouwt zich een familiegeschiedenis die generaties lang verborgen bleef. Rahila blijkt van Joodse afkomst, een waarheid die binnen de familie zorgvuldig was weggestopt. Religieuze objecten werden begraven, identiteiten herschreven, geloof verzwegen om te kunnen overleven. Zelfs Zara groeide op zonder kennis van haar Joodse wortels; haar vader was moslim, haar opvoeding islamitisch. Het dagboek fungeert als tastbare toegangspoort tot een verzwegen verleden.
De roman raakt daarmee aan een bredere tragedie: die van de zogenoemde “gestolen kinderen”, baby’s die doodverklaard werden en elders opgroeiden, waardoor genealogieën uiteenvielen en afkomst diffuus werd. Rahila zelf blijkt als kind uit haar oorspronkelijke omgeving weggerukt en uitgehuwelijkt aan een streng religieuze man. Haar identiteit werd herschreven nog vóór zij die zelf kon begrijpen. De gevolgen werken door in de volgende generaties: reputaties beschadigd, huwelijken belast, carrières geknakt zodra verborgen achtergronden aan het licht dreigen te komen.
Zara, opgeleid als politicoloog, verlaat Koerdistan wanneer ISIS oprukt en Mosul valt. Samen met haar moeder zoekt zij toevlucht in Israël — een land dat tegelijk belofte en vervreemding belichaamt. In Jaffa ontmoet zij Abram, die zich liever Bram laat noemen. Hun gesprekken vormen een tweede verhaallijn, waarin persoonlijke geschiedenissen zich spiegelen. Ook hij draagt een migratieverleden met zich mee: Irak, Nederland, Israël — telkens opnieuw ontworteld. Als psycholoog duidt hij het land waarin zij nu leven als een samenleving getekend door collectief trauma, een plek waar pijn erfelijk lijkt, doorgegeven van generatie op generatie.
Die gedachte krijgt concreet gestalte in Zara’s moeder, wier angststoornissen in Israël verhevigen. De dreiging waaruit zij vluchtte, blijkt innerlijk te zijn meeverhuisd. Trauma blijkt niet plaatsgebonden, maar diep verankerd.
Symboliek weeft zich subtiel door het verhaal. Een zwarte kat die Zara herhaaldelijk kruist, lijkt aanvankelijk een onheilspellend voorteken — zeker wanneer Bram slachtoffer wordt van een aanslag. Maar gaandeweg verschuift de betekenis: het dier blijkt een onverwachte schakel tussen verspreide familieleden, een levend spoor door de diaspora. Het dwingt Zara na te denken over erfenissen die verder reiken dan bloed alleen: over keuzes, breuken en loyaliteiten die generaties overspannen.
Ook ontmoetingen met familie, onder wie een erudiete oom die haar historische context biedt, verdiepen haar begrip. Via hem ontvouwt zich de politieke achtergrond van de recente oorlogen: spanningen rond Koerdische autonomie, territoriale claims, en de ressentimenten die extremistische groeperingen voedden. Geschiedenis wordt zo niet didactisch ingevoegd, maar persoonlijk gemaakt — verteld in stemmen die Zara vertrouwt.
De roman is lineair opgebouwd, maar wordt doorbroken door hoofdstukken die zich in een recenter tijdsgewricht afspelen. Die structuur versterkt het besef dat verleden en heden voortdurend in elkaar grijpen. Thema’s als migratie, liefde, verlies, religie, familiegeheimen en identiteitsverwarring vloeien samen in een verhaal dat uiteindelijk draait om de vraag waar een mens thuis kan zijn — en of veiligheid ooit meer is dan tijdelijk.
Wat Rahila’s geheimen bijzonder maakt, is de combinatie van narratieve betrokkenheid en journalistieke ondergrond. Neurinks diepgewortelde kennis van de regio verleent het verhaal helderheid en nuance. Zij moraliseert niet, maar toont. Fictie wordt hier een vorm van waarheidsbenadering: zorgvuldig gecomponeerd, maar geworteld in reële geschiedenissen en verzwegen levens. Het resultaat is een roman die meesleept zonder te versimpelen — een literaire ruimte waarin persoonlijke en politieke trauma’s elkaar onontkoombaar raken.
Recensie: Ilse De Wachter
← overzicht – Wat je moet weten om het Midden-Oosten te begrijpen

Submit your review | |
