Siegfried
Er zijn boeken die men leest, en er zijn boeken die men ondergaat als een ondervraging. Siegfried van Harry Mulisch behoort tot de laatste categorie: het is geen roman die zich laat consumeren, maar een die de lezer consumeert, hem opneemt in een denkexperiment dat tegelijk literair, metafysisch en moreel explosief is. Wie het boek openslaat, opent niet slechts een verhaal, maar een kluis — en wat daarin ligt opgeslagen is niets minder dan de vraag of het absolute kwaad een biografie kan hebben.
Mulisch heeft zich zijn hele leven bewogen rond het zwarte gat van de twintigste eeuw. Hij cirkelde eromheen in De zaak 40/61, hij projecteerde het in De aanslag, hij verhief het tot kosmische proporties in De ontdekking van de hemel. Maar met Siegfried doet hij iets anders, iets wat zelfs binnen zijn eigen oeuvre als provocatie moet worden gelezen: hij probeert Hitler niet historisch, maar ontologisch te doorgronden. Niet: wat deed hij? Maar: wat wás hij?
De roman is opgezet als een raamvertelling. De schrijver Rudolf Herter — Mulisch’ evidente alter ego, maar tegelijk een karikaturale verdubbeling — reist naar Wenen voor lezingen en ontmoet daar een oud echtpaar dat ooit in de huishouding van Hitler werkte. Wat volgt, is hun onthulling: Hitler zou een zoon hebben gehad, Siegfried, verborgen voor de wereld, een kind dat uiteindelijk door zijn eigen vader werd gedood. Vanaf dat moment verandert de roman in een laboratorium. Niet het kind staat centraal, maar de hypothese die het mogelijk maakt: kan het absolute kwaad zich voortplanten? Kan er een “erfgenaam van de leegte” bestaan?
Mulisch behandelt deze premisse niet als thrillerstof — hoewel het boek zich oppervlakkig als zodanig laat lezen — maar als filosofische detonator. Siegfried is minder personage dan gedachte-experiment, minder vlees dan concept. Hij is wat er zou gebeuren als Hitler niet alleen geschiedenis had gemaakt, maar ook nageslacht had geproduceerd: een biologische echo van metafysisch nihilisme.
Hier begint de polemiek, en zij is onvermijdelijk. Want wie Hitler literair verbeeldt, betreedt een mijnenveld. Mulisch weet dat — sterker, hij zoekt het op. Hij heeft altijd geloofd dat literatuur zich juist moet begeven waar moraal en verbeelding elkaar dreigen te verbieden. In Siegfried radicaliseert hij dat credo: hij probeert Hitler te denken als fenomeen buiten de menselijke categorieën. Niet demonisch, niet pathologisch, maar leeg — een “gat in de werkelijkheid”.
Voor bewonderaars is dit typisch Mulisch: de schrijver als metafysicus, die geschiedenis opblaast tot kosmologie. Voor critici is het precies het probleem: opnieuw die neiging tot mythologisering, tot verheffing van historische gruwel tot filosofisch decor. Alsof Auschwitz een conceptueel motief wordt in plaats van een concreet grafveld. Men kan zich afvragen — en men móét zich dat afvragen — of Mulisch hier verheldert of juist verduistert.
Toch zou het te eenvoudig zijn hem moreel lichtzinnig te noemen. Wat Siegfried zo verontrustend maakt, is juist de ernst waarmee het boek zijn eigen vraag stelt. Herter/Mulisch redeneert meedogenloos: als Hitler het absolute kwaad vertegenwoordigt, dan moet hij ook metafysisch begrepen worden. En als dat niet kan, als hij onverklaarbaar blijft, dan is dat misschien het angstaanjagendste inzicht van allemaal — dat het kwaad geen oorsprong heeft, geen diepte, geen psychologie. Alleen leegte.
Stilistisch is de roman helder, bijna koel. Geen barok zoals in De ontdekking van de hemel, geen overdadige mythologische orkestratie. De toon is beheerst, beschouwend, essayistisch — alsof Mulisch, op hoge leeftijd, zijn ultieme gedachte-experiment in zo zuiver mogelijke vorm wilde gieten. Juist die soberheid maakt het boek beklemmend. Het leest als een testament, maar ook als een intellectuele provocatie die hij de wereld nog één keer wilde nalaten.
En provocerend is het. Want wat moet men met een roman die Hitler niet psychologiseert maar ontmenselijkt? Die hem niet verklaart maar tot metafysisch nulpunt reduceert? Sommigen zullen zeggen dat Mulisch hem daarmee alsnog uitzondert, hem een demonische singulariteit verleent die historisch gevaarlijk is. Anderen zullen stellen dat juist dit de enige manier is om hem niet te banaliseren.
De grootste kracht — en tegelijk de grootste zwakte — van Siegfried ligt in die dubbelzinnigheid. Het boek balanceert op de rand van inzicht en overmoed. Soms lijkt Mulisch het kwaad te willen ontleden; soms lijkt hij het te willen bezweren door het in zijn eigen mythologische systeem op te nemen. Dan weer is het alsof hij, de schrijver die ooit zei de oorlog te zijn, hier zijn laatste poging doet om dat innerlijke oorlogsgebied definitief in kaart te brengen.
Is Siegfried een grootse roman? Niet in de traditionele zin. Het mist de epische adem van zijn meesterwerken. Maar het bezit iets anders: een ijzige consequentie, een intellectuele roekeloosheid die zeldzaam is geworden in een tijd waarin literatuur zich liever moreel indekt dan existentieel riskeert.
Men kan Mulisch veel verwijten — en dat is ook altijd gedaan. Ijdelheid. Zelfmythologisering. Filosofische overdrijving. Maar lafheid kan men hem niet verwijten. Siegfried is het werk van een schrijver die, zelfs aan het einde van zijn leven, nog bereid was de meest verboden vraag te stellen: niet hoe het kwaad eruitziet, maar wat het in wezen is.
En misschien is dat de reden waarom deze roman, hoe omstreden ook, blijft knagen. Omdat hij de lezer dwingt positie te kiezen. Omdat men het boek niet kan sluiten zonder zich af te vragen of Mulisch hier een grens heeft overschreden — of juist een grens heeft blootgelegd die wij liever niet zien.
Wie Siegfried leest, leest niet alleen een roman over Hitler, maar een roman over de verbeelding zelf — en over de vraag of alles verbeeld mag worden.
Dat men over het antwoord zal willen twisten, is onvermijdelijk.
En precies daarin bewijst Mulisch, zelfs postuum, zijn polemische gelijk.
Recensie: Barend Gerardus Kleijn

Submit your review | |
