Michaíl Afanásjevitsj Boelgákov (Kiev, 15 mei 1891 – Moskou, 10 maart 1940) was een Oekraïens-Russisch schrijver, toneelauteur en satiricus, die vooral bekend werd door zijn roman De Meester en Margarita.

Boelgákov studeerde geneeskunde en werkte na zijn opleiding enige tijd als dorpsdokter in de omgeving van Smolensk. Rond 1919 besloot hij zich volledig op het schrijven te richten en begon hij te publiceren in kranten en tijdschriften. Zijn literaire doorbraak kwam met de roman De Witte Garde, die in 1924 en 1925 in afleveringen verscheen. Het eerste deel werd later in boekvorm uitgegeven, terwijl het vervolg pas in het buitenland kon verschijnen. Tijdens zijn leven werd slechts een klein deel van zijn prozawerk officieel in de Sovjet-Unie gepubliceerd, waaronder de satirische verhalenbundel Diaboliade.

De Witte Garde was een van de eerste literaire werken die de Oekraïense burgeroorlog serieus behandelden. Op basis van deze roman schreef Boelgákov het toneelstuk De dagen der Toerbins, dat in 1926 in première ging in het Moskouse Kunsttheater. Het stuk werd uitzonderlijk vaak opgevoerd en gold als een van de populairste producties van zijn tijd. Boelgákov groeide uit tot een gevierd toneelauteur, met succesvolle komedies zoals Zoja’s appartement en indringende drama’s als De Vlucht. Toch kreeg hij steeds vaker te maken met censuur. Diverse toneelstukken en verhalen werden verboden omdat ze ideologisch onaanvaardbaar werden geacht, en in de pers werd zijn werk scherp aangevallen.

Aan het einde van de jaren twintig werden al zijn toneelstukken uit het repertoire geschrapt. Zonder inkomsten wendde Boelgákov zich in 1930 in een brief tot de Sovjetregering, waarin hij zijn uitzichtloze situatie schetste en zelfs vroeg om toestemming het land te verlaten. Kort daarna werd hij onverwacht telefonisch benaderd door Jozef Stalin. Boelgákov bleef uiteindelijk in de Sovjet-Unie en kreeg werk aangeboden bij het Moskouse Kunsttheater, waar hij actief was als regieassistent, vertaler en librettist.

Omdat oorspronkelijk werk steeds moeilijker werd, legde Boelgákov zich toe op bewerkingen en historische onderwerpen. Hij maakte toneelversies van onder meer Dode Zielen van Gogol en Don Quichot van Cervantes, en schreef een biografie over Molière. Zijn toneelstuk De dienstbaarheid van de puriteinen, over de positie van een schrijver onder een autoritair regime, werd na korte tijd verboden. De ervaringen rond deze mislukte productie verwerkte hij later in zijn onvoltooide theaterroman Zwarte Sneeuw. Ook het stuk Poesjkin (De laatste dagen) onderging een vergelijkbaar lot. Uiteindelijk vond Boelgákov werk als librettist bij de Bolsjoj-opera.

Tussen 1928 en zijn dood werkte Boelgákov aan zijn magnum opus De Meester en Margarita, een complexe roman waarin satire, fantasie en filosofie samenkomen en waarin het Sovjetleven scherp wordt bekritiseerd. Het boek kon tijdens zijn leven niet verschijnen. Pas decennia later werd het, na jaren van censuur en pogingen van zijn weduwe om publicatie af te dwingen, volledig uitgegeven.

In een laatste poging zich te verzoenen met het regime schreef Boelgákov het toneelstuk Batum, over Stalins jonge jaren. Ook dit werk werd verboden, nog voordat de repetities goed en wel begonnen waren. Zijn gezondheid ging intussen sterk achteruit. Boelgákov overleed op 10 maart 1940 in Moskou, kort nadat hij nog correcties had aangebracht aan De Meester en Margarita. Hij maakte de publicatie en erkenning van zijn belangrijkste werk niet meer mee, maar geldt inmiddels als een van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw.

Librar las De meester en Margarita.

Scroll naar boven
Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.